Geslacht volgens de burgerlijke stand: het Grondwettelijk Hof houdt rekening met de personen waarvan de genderidentiteit niet-binair is

Het Grondwettelijk Hof heeft beslist om de wet van 25 juni 2017 wat de aanpassing van de registratie van het geslacht bij de burgerlijke stand voor transgenders betreft gedeeltelijk nietig te verklaren. Artikel 3 van deze wet voorziet immers niet in deze mogelijkheid tot aanpassing voor personen waarvan de genderidentiteit ?niet-binair? is, dit wil zeggen dat die niet overeenstemt met de binaire categorieën ?man? of ?vrouw?.

Niet-binaire genderidentiteit

Artikel 3 van de wet van 25 juni 2017 wijzigt artikel 62bis van het Burgerlijk Wetboek (sindsdien ingetrokken) om transgenders de mogelijkheid te geven de registratie van hun geslacht in de geboorteakte te laten aanpassen, om deze registratie met hun genderidentiteit te laten overeenstemmen.

De formulering van deze bepaling impliceert stilzwijgend dat de aanpassing van de registratie van het geslacht erin bestaat ?man? te vervangen door ?vrouw? of ?vrouw? door ?man?. Zodoende verplicht ze personen van wie de genderidentiteit niet-binair is om in hun geboorteakte een registratie te aanvaarden van het geslacht dat niet overeenstemt met hun genderidentiteit, terwijl personen van wie de genderidentiteit binair is maar niet overeenstemt met het in hun geboorteakte geregistreerde geslacht deze registratie kunnen laten aanpassen.

Het Hof ziet er een onaanvaardbaar verschil in behandeling in dat niet overeenstemt met het ?principe van zelfbeschikking? dat ten grondslag ligt van de wet van 25 juni 2017. Zodoende, ?door de aanpassing van de registratie van het geslacht in de geboorteakte te beperken tot een binaire keuze vertoont de bestreden wet een lacune die in strijd is met het gelijkheidsbeginsel juncto het recht op zelfbeschikking?.

Fluïde genderidentiteit

Tegelijkertijd stelt het Hof een andere onregelmatigheid vast in hetzelfde artikel 3 van deze wet ten opzichte van het principe van de onherroepelijkheid van de procedure van aanpassing van de registratie van het geslacht in de geboorteakte.

Immers, de personen van wie de genderidentiteit ?fluïde? is (dit wil zeggen van wie de genderidentiteit in de tijd evolueert) en evolueert na de eerste aanpassing van het geslacht dat geregistreerd is in de geboorteakte moeten zodoende een registratie ondergaan van het geslacht dat niet overeenstemt met hun genderidentiteit.

Volgens het Hof volstaan de voorwaarden die vastgesteld zijn om de aanpassing van de registratie van het geslacht in de geboorteakte te verkrijgen (met name het verstrekken van informatie over de administratieve en juridische gevolgen van de aanpassing, een verplichte bedenktijd van ten minste 3 maanden en de mogelijkheid voor de procureur des Konings om een negatief advies te geven wegens strijdigheid met de openbare orde) om tegemoet te komen aan de door de wetgever nagestreefde doelstelling van preventie van fraude via de onherroepelijkheid van deze aanpassingsprocedure.

Ook meent het Hof dat ?het in principe onherroepelijke karakter van de aanpassing niet redelijk gerechtvaardigd is in het licht van het doel dat erin bestaat fraude te voorkomen?. Het Hof is ook niet tevreden met de mogelijkheid van een procedure voor de familierechtbank, die beperkt is tot uitzonderlijke omstandigheden, aangezien de noodzaak om over te gaan tot meerdere aanpassingen voor personen van wie de genderidentiteit fluïde is, niet noodzakelijk een uitzonderlijke omstandigheid vormt.

Nietigverklaring

Op grond van deze verschillende argumenten verklaart het Hof artikel 3 van de wet van 25 juni 2017 nietig:

voor zover het, voor personen van wie de genderidentiteit niet-binair is, niet voorziet in de mogelijkheid om de registratie van het geslacht in hun geboorteakte aan te passen om deze registratie te laten overeenstemmen met hun genderidentiteit;

en voor zover het voorziet in het in principe onherroepelijke karakter van de aanpassing van de registratie van het in de geboorteakte vermelde geslacht. Zodoende verklaart het Hof ook artikel 11 van deze wet gedeeltelijk nietig, om het mogelijk te maken de voornaam opnieuw te wijzigen na een nieuwe aanpassing van de registratie van het geslacht in de geboorteakte.

Toch even uw aandacht! Artikel 3 van de wet van 25 juni 2017 heeft een artikel 62bis in het Burgerlijk Wetboek ingevoegd dat werd ingetrokken door een wet van 18 juni 2018. Deze laatste voegt echter in het Burgerlijk Wetboek een artikel 135/1 in dat vrijwel identiek is met het ingetrokken artikel 62bis.
Bovendien wijzigt artikel 11 van de wet van 25 juni 2017 artikel 2 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, dat zelf ook werd ingetrokken door de wet van 18 juni 2018, maar waarvan de inhoud is overgenomen in artikel 119 van deze laatste wet.

Aldus werden de vandaag nietig verklaarde bepalingen ingetrokken maar hebben ze wel degelijk juridische gevolgen gehad tussen 1 januari 2018 en 1 augustus 2018 voor wat artikel 11 betreft, en tussen 1 januari 2018 en 31 maart 2019 voor wat artikel 3 betreft. De beslissing van het Hof zal bovendien ook kunnen dienen als grondslag voor een nieuw beroep tot nietigverklaring gericht tegen de wet van 18 juni 2018.

Bron: Grondwettelijk Hof, arrest nr. 99/2019 van 19 juni 2019

Zie ook

Wet van 25 juni 2017 tot hervorming van regelingen inzake transgenders wat de vermelding van een aanpassing van de registratie van het geslacht in de akten van de burgerlijke stand en de gevolgen hiervan betreft, BS, 10 juli 2017 (art. 3 en 11)