Beroep na frauduleuze erkenning van kind (DB Justitie, art. 39-40)

Wanneer de ambtenaar van burgerlijke stand meent dat een aanvraag tot erkenning van een kind alleen bedoeld is om een verblijfsrecht te krijgen, kan hij weigeren om een akte van erkenning op te maken. De persoon die de erkenning vroeg, kon niet in beroep gaan tegen die weigeringsbeslissing. Tot nu.

De wet houdende diverse dringende bepalingen inzake justitie voert een beroepsprocedure in, die vergelijkbaar is met de beroepsprocedure bij weigering om een akte van huwelijk op te maken wegens schijnhuwelijk. De persoon van wie de erkenningsaanvraag wordt geweigerd, kan binnen de maand na kennisgeving van de weigeringsbeslissing in beroep gaan bij de familierechtbank in kortgeding. De rechter betrekt er ook de personen bij die toestemming moeten geven: het kind zelf, de andere ouder, ... De rechtbank beslist definitief tot al of niet-erkenning en houdt daarbij rekening met alle belangen, maar in eerste instantie toch met de belangen van het kind.

Beroep tegen een weigeringsbeslissing was in principe al mogelijk op basis van een arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 mei 2020, maar dat leidde tot verschillende interpretaties, onder meer over de termijn waarbinnen er beroep moest worden ingesteld. Die onduidelijkheid verdwijnt vanaf 17 augustus 2020.

De vrijwillige erkenning om socioaffectieve redenen via de ambtenaar van de burgerlijke stand staat overigens totaal los van de procedure tot gerechtelijke vaststelling van de afstamming omwille van een biologische band.

Bron: 31 JULI 2020. - Wet houdende diverse dringende bepalingen inzake justitie, BS 7 augustus 2020, art. 39-40.

Zie ook:
BW, art. 330/1-330/2.
Ger.Wb., art. 1253ter/4, §2, eerste lid, 6°.
GwH 7 mei 2020, nr. 58/2020.