Gelijkgestelde periodes wegen minder zwaar in pensioenberekening (art. 122-126 WDB)

Vanaf 1 januari 2012 zullen bepaalde gelijkgestelde periodes minder zwaar wegen bij de berekening van het werknemerspensioen. Bedoeling is om ?werken' te laten primeren op periodes van inactiviteit die met arbeid gelijkgesteld worden. Het blijft wel wachten op de nodige uitvoeringsbepalingen.

Gelijkgestelde periodes

De wetgever wil bepaalde met arbeid gelijkgestelde periodes anders waarderen om de band tussen het pensioen en de arbeid die daaraan voorafgaat, te versterken. Daartoe krijgt de Koning de bevoegdheid om de toekennings- en berekeningsregels vast te leggen voor een reeks gelijkgestelde tijdvakken die gelegen zijn na 31 december 2011. Op die manier kan Hij het gewicht van die periodes bij de berekening van het werknemerspensioen bepalen.

Het gaat om:

periodes van werkloosheid van de derde periode;

periodes van brugpensioen toegekend vóór de leeftijd van 60 jaar, met uitzondering van het brugpensioen in een bedrijf in moeilijkheden of herstructurering, en het brugpensioen in het kader van de CAO nr. 96 (brugpensioen vanaf 56 jaar na een loopbaan van 40 jaar);

periodes van tijdskrediet op het einde van de loopbaan, opgenomen vóór de leeftijd van 60 jaar;

periodes van tijdskrediet op het einde van de loopbaan, opgenomen na de leeftijd van 60 jaar, met uitzondering van 2 jaar halftijds tijdskrediet en 5 jaar 1/5 tijdskrediet;

periodes van gehele of gedeeltelijke vrijwillige loopbaanonderbreking en tijdskrediet, met uitzondering van het gemotiveerde tijdskrediet en de thematische verloven. Bij een arbeidsduurvermindering met 1/5 zal de gelijkstelling in dagen geteld kunnen worden.

Gelijkstelling

Het blijft natuurlijk wachten op de uitvoeringsbesluiten. Voor de periodes van brugpensioen vóór de leeftijd van 60 jaar en voor de periodes van werkloosheid van de derde periode zou de gelijkstelling voor de pensioenberekening beperkt worden op basis van het minimum jaarrecht. Brugpensioen na 60 jaar blijft volledig gelijkgesteld.

Het minimumrecht per loopbaanjaar is een correctiemechanisme in de pensioenberekening dat periodes met een laag salaris afvlakt door te rekenen met een referentiesalaris. Op dit moment gaat het om 21.326,67 euro per jaar.

De periodes van vrijwillige loopbaanonderbreking en (niet-gemotiveerd) tijdskrediet zouden nog voor maximum 1 jaar meetellen. Maar periodes van gemotiveerd tijdskrediet en de thematische verloven blijven volledig gelijkgesteld.

En voor periodes van halftijds of 1/5 tijdskrediet voor werknemers van 50 jaar of ouder zouden enkel de tijdsvakken vanaf de leeftijd van 60 jaar gelijkgesteld worden, en dit voor maximaal 1 jaar. Het gaat om 1 jaar voltijds equivalent. Dit is dus 2 jaar in een halftijdse landingsbaan of 5 jaar in 1/5 landingsbaan. Voor de rest van de periodes gebeurt de gelijkstelling op basis van het minimumrecht.

Er is dus nog wat werk aan de winkel. De koning krijgt ook de bevoegdheid om volgende begrippen later verder uit te werken:

?werkloosheid van de derde periode?;

?gemotiveerd tijdskrediet?;

?thematische verloven?;

?halftijds of 1/5 tijdskrediet voorbehouden aan de werknemers van 50 jaar of ouder?.

Tegelijk zal de Koning ook omschrijven hoe de inlichtingen voor de uitvoering van de nieuwe maatregel worden meegedeeld aan de Rijksdienst voor Pensioenen.

Overgang

De nieuwe regeling is niet van toepassing op de personen die op 28 november 2011 al in een periode van brugpensioen, van vrijwillige loopbaanonderbreking en tijdskrediet, of van halftijds of 1/5 tijdskrediet voor werknemers van 50 jaar en ouder zitten. Hetzelfde geldt voor iedereen die zo'n regime aangevraagd heeft vóór 28 november 2011.

In werking

De nieuwe regeling treedt in werking op 1 januari 2012. Ze is van toepassing op de pensioenen die voor het eerst ingaan vanaf 1 januari 2013.

Bron: Wet houdende diverse bepalingen van 28 december 2011, BS 30 december 2011 (art. 122-126 WDB)