Uniforme nationale plannen voor oudere stookinstallaties

De lidstaten van de Europese Unie mogen nationale plannen opstellen om oudere stookinstallaties te begeleiden bij de overgang naar een milieuvriendelijker productie. In een uitvoeringsbesluit van 10 februari 2012 geeft de Europese Commissie richtlijnen voor het opstellen van die plannen.

De nationale plannen voor de overgangsfase bevatten soepeler emissiegrenswaarden en ontzwavelingspercentages voor oudere stookinstallaties. Die soepeler waarden moeten geleidelijk afgebouwd worden tussen 1 januari 2016 en 30 juni 2020.

Oudere stookinstallaties zijn:

installaties die vóór 27 november 2002 een eerste keer vergund werden; en

installaties waarvoor de vergunningsaanvraag vóór 27 november 2002 werd ingediend en die vóór 27 november 2003 werden opgestart.

In haar uitvoeringsbesluit bepaalt de Europese Commissie wat in de nationale plannen moet staan. Ze verduidelijkt ook hoe de afwijkende emissieplafonds moeten worden berekend.

De lidstaten moeten relevante wijzigingen van de stookinstallaties en hun emissies melden. Het uitvoeringsbesluit benadrukt bovendien dat de lidstaten ?de nodige maatregelen? moeten nemen als zou blijken dat de oudere stookinstallaties ook de soepeler grenswaarden voor stikstofoxide, zwaveldioxide en stof niet halen.

Bron: Uitvoeringsbesluit 202/115/EU van Commissie van 10 februari 2012 houdende vaststelling van de in richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies bedoelde nationale plannen voor de overgangsfase, Pb.L. 24 februari 2012, afl. 52.

Zie ook:
Richtlijn 2010/75/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) , Pb.L. 17 december 2010, afl. 334 (IPPC-richtlijn).