Belgisch gerecht kan nu ook in het buitenland vervolgen

Het Belgisch gerecht kan voortaan verdachten van terroristische misdrijven of bepaalde zwaarwichtige geweldmisdrijven, zoals bv. gijzeling, doodslag, moord of kindermoord, die tegen Belgen gepleegd worden in het buitenland en strafbaar zijn in België, in het buitenland vervolgen en bestraffen. Ook wanneer de dader een buitenlander is en dus geen hoofdverblijfplaats heeft in België, zal ons land toch een strafzaak tegen hem kunnen starten.

Algemene regel

Tot nog toe geldt als algemene regel dat misdrijven die gepleegd zijn in het buitenland en die strafbaar zijn in België, enkel vervolgd kunnen worden als de verdachte zich in België bevindt (art. 12, eerste lid voorafgaande titel Sv.). Hierop bestaan echter al enkele uitzonderingen, bv. voor misdaad of wanbedrijf tegen de veiligheid van de Staat, bij ernstige schending van het internationaal humanitair recht en voor misdaad of wanbedrijf tegen de openbare trouw of misdaad of wanbedrijf van muntvervalsing. Voor deze misdrijven kunnen zowel Belgen of personen met hoofdverblijfplaats in België als buitenlanders zonder hoofdverblijfplaats in België vervolgd worden in het buitenland.

Uitzonderingen nu ook voor terroristische misdrijven en zwaarwichtige geweldmisdrijven

Om verdachten van terroristische misdrijven of bepaalde zwaarwichtige geweldmisdrijven (zoals bv. gijzeling, doodslag, moord of kindermoord) de kans te ontnemen zich schuil te houden in landen die niet meewerken aan hun vervolging, maakt de wet van 6 februari 2012 nu ook een uitzondering voor deze misdrijven (aanpassing art. 12, eerste lid voorafgaande titel Sv.).

Voor de ?terroristische misdrijven' worden aan het lijstje van uitzonderingen toegevoegd:

alle terroristische misdrijven gepleegd door Belgen en personen met een hoofdverblijfplaats in België, en

alle terroristische misdrijven gepleegd tegen Belgen of Belgische instellingen, of tegen instellingen of organen van de Europese Unie.

Bij de ?zwaarwichtige geweldmisdrijven' worden aan de lijst van uitzonderingen toegevoegd: de misdrijven gepleegd door een vreemdeling tegen een Belgische onderdaan in het buitenland, op voorwaarde dat het feit strafbaar is volgens de wetgeving van het land waar het gepleegd werd met een straf van maximum vijf jaar vrijheidsberoving. Hier werd ervoor gekozen om enkel een beperkt aantal van de allerzwaarste geweldmisdrijven door een vreemdeling tegen Belgen in het buitenland te vervolgen, nl. gijzeling (art. 347bis Sw.), doodslag, moord, oudermoord, kindermoord en vergiftiging (art. 393, 394, 395, 396 en 397 Sw.) en roofmoord (art. 475 Sw.).

Filter

De wet van 6 februari 2012 bouwt ook een filter in om te vermijden dat klachten met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter telkens aanhangig zouden worden, waar dat vaak niet nodig is.

Wanneer de verdachte niet in België wordt gevonden, kan voor bovenvermelde terroristische misdrijven en zwaarwichtige geweldmisdrijven de vervolging (inclusief het onderzoek) slechts plaatsvinden op vordering van de federale procureur of de procureur des Konings die zal onderzoeken of:

1) de klacht kennelijk niet gegrond is; of

2) de feiten bedoeld in de klacht niet overeenstemmen met een kwalificatie van de misdrijven bedoeld in de artikelen 137, 347bis, 393, 394, 395, 396, 397 en 475 van het Strafwetboek; of

3) uit deze klacht geen ontvankelijke strafvordering kan volgen; of

4) uit de concrete omstandigheden van de zaak blijkt dat deze zaak, in het belang van een goede rechtsbedeling en met eerbiediging van de internationale verplichtingen van België, aanhangig zou moeten worden gemaakt bij een ander rechtscollege.

Indien de federale procureur of de procureur des Konings van oordeel is dat één of meer van de eerste drie voorwaarden hierboven vervuld zijn, doet hij voor de kamer van inbeschuldigingstelling vorderingen die beogen te beslissen dat er geen reden is tot vervolging of dat de strafvordering niet ontvankelijk is. Enkel de federale procureur of de procureur-generaal wordt gehoord.

Indien de kamer van inbeschuldigingstelling vaststelt dat geen van de eerste drie voorwaarden hierboven vervuld zijn, wijst zij de territoriaal bevoegde onderzoeksrechter aan en bepaalt ze op welke feiten het onderzoek betrekking heeft. Indien de vordering uitgaat van de federale procureur, dan maakt ze de zaak aanhangig bij de deken van de onderzoeksrechters (art. 47duodecies, § 3 Wetboek van strafvordering).
Vervolgens wordt gehandeld overeenkomstig het gemeen recht.

Indien de kamer van inbeschuldigingstelling vaststelt dat geen van de eerste drie voorwaarden hierboven vervuld zijn, dan kan de federale procureur of de procureur-generaal cassatieberoep instellen tegen de gewezen arresten. Dit beroep moet ingesteld worden binnen de vijftien dagen na de uitspraak van het arrest.

In het geval vermeld in het vierde punt hierboven seponeert de federale procureur of de procureur des Konings de zaak en deelt zijn beslissing mee aan de minister van Justitie. Tegen deze beslissing tot seponering staat geen enkel rechtsmiddel open.

In werking

De wet van 6 februari 2012 treedt in werking op 17 maart 2012, tien dagen na haar publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Bron: Wet van 6 februari 2012 tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering voor wat betreft de vervolging van bepaalde in het buitenland gepleegde misdrijven, BS 7 maart 2012, 14.087.

Zie ook:
Wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, BS 25 april 1878 (voorafgaande titel Sv.) ? art. 10, 5°, art. 10ter, 4° en art. 12, eerste lid.