Versterkte degressiviteit voor werkloosheidsuitkeringen

Vanaf 1 november 2012 wordt de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen versterkt. Dit betekent dat de uitkeringen sneller zullen dalen in de tijd. Daarnaast worden de toegangsvoorwaarden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen en de voorwaarden om na een werkhervatting opnieuw hogere uitkeringen te krijgen, versoepeld.

Let op! De versterkte degressiviteit geldt ook voor ?oude' werklozen die al werkloos zijn op 1 november 2012. De RVA zal herberekenen in welke fase ze zich bevinden.

Degressiviteit

Het principe van de degressiviteit bestaat op dit moment al. Bij de toekenning van werkloosheidsuitkeringen houdt men namelijk rekening met 3 periodes: 2 periodes voor alleenstaanden en gezinshoofden, en 3 periodes voor samenwonenden.

1/ De eerste periode komt overeen met de eerste 12 maanden van de werkloosheid. Ze wordt opgedeeld in 2 periodes van 6 maanden.

Op dit moment bedraagt de werkloosheidsuitkering in de eerste periode voor gezinshoofden (samenwonende met één inkomen, categorie A), alleenstaanden (categorie N) en samenwonenden (categorie B) 60% van het begrensd loon. Tijdens de eerste 6 maanden ligt dit plafond op 2.370,76 euro bruto per maand (grensbedrag C). De volgende 6 maanden is dat 2.209,59 euro bruto per maand (grensbedrag B).

2/ De daaropvolgende tweede periode bestaat uit een vaste periode van 3 maanden en een variabele periode van 3 maanden per gewerkt jaar. Bij een lange loopbaan kan die periode dus enkele jaren duren.

Op dit moment bedraagt de werkloosheidsuitkering in de tweede periode:

60% van het loon, begrensd op 2.064,81 euro bruto per maand voor een gezinshoofd (grensbedrag A);

55% van het loon, begrensd op 2.019,88 euro bruto per maand voor een alleenstaande (grensbedrag AY);

40% van het loon, begrensd op 2.064,81 euro bruto per maand voor een samenwonende (grensbedrag A).

3/ In de derde periode vallen samenwonenden terug op een forfaitaire uitkering van 483,86 euro per maand. Voor bevoorrechte samenwonenden is dat 635,44 euro per maand.

?Bevoorrechte samenwonenden' zijn personen die samenwonen met iemand die ook maar een beperkt inkomen heeft. De werkloze en de partner ontvangen uitsluitend uitkeringen en het dagbedrag van de uitkering van de partner is maximum 31,77 euro.

De aangegeven bruto maandloongrenzen zijn de bedragen die gelden sinds 1 februari 2012.

Vanaf 1 november 2012

Vanaf 1 november 2012 wordt de degressiviteit van de uitkeringen (overzichtstabel) versterkt. Er komen dus meer ?trapjes'. Voor gezinshoofden en samenwonenden komt er ook een derde periode waarin ze terugvallen op een lager forfait. Voor de eerste 3 maanden van de werkloosheid zal de uitkering wel hoger zijn omdat men voortaan rekening houdt met 65% van het begrensd loon. Maar dit verhoogde percentage van 65% tijdens de eerste 3 maanden (fase 1.1) geldt pas vanaf 2013!

1/ De eerste periode wordt voortaan opgedeeld in 3 blokken:

Fase 1.1. De eerste 3 maanden bedraagt de werkloosheidsuitkering 65% van het begrensd loon (grensbedrag C: 2.370,76 euro bruto per maand).

Fase 1.2. De volgende 3 maanden bedraagt de werkloosheidsuitkering 60% van datzelfde maximumloon (grensbedrag C: 2.370,76 euro bruto per maand).

Fase 1.3. Gedurende 6 maanden bedraagt de werkloosheidsuitkering 60% van het begrensd loon (grensbedrag B: 2.209,59 euro bruto per maand).

Dit regime geldt voor gezinshoofden, alleenwonenden en samenwonenden. De uitkering is dus onafhankelijk van de gezinssituatie, met uitzondering van het gegarandeerd minimumbedrag.

2/ De daaropvolgende tweede periode wordt voortaan opgedeeld in 3 blokken. Een vast deel, een variabel deel en een variabel deel met een bijkomend mechanisme van degressiviteit:

Fase 2A (vast). Een periode van 2 maanden met een uitkering aan 60% (gezinshoofd), aan 55% (alleenstaande) of aan 40% (samenwonende) van een begrensd loon (grensbedrag A: 2.064,81 euro bruto per maand). Voor alleenwonende werknemers die geen recht hebben op een anciënniteitstoeslag geldt wel een afzonderlijk plafond (grensbedrag AY: 2.019,88 euro bruto per maand).

Fase 2B (variabel). Voor elk loopbaanjaar wordt er telkens voor 2 maanden een uitkering toegekend aan hetzelfde percentage van hetzelfde grensbedrag. Dit zijn ?maanden toevoeging ingevolge beroepsverleden?. Maar dit kan maximum voor een periode van 10 maanden.

Fases 2.1 tot 2.4 (variabel en trapsgewijs degressief). Dit zijn maximaal 4 deelfases van 6 maanden. Maximum 24 maanden dus. In deze fases geldt een bijkomend degressiviteitsmechanisme waardoor het bedrag van de uitkering elke 6 maanden daalt. Hierbij wordt het vorig vak telkens verminderd met 1/5 van het verschil tussen dat vak en het forfait.

De werkloze moet dus meer dan 5 loopbaanjaren kunnen voorleggen om in aanmerking te komen voor de fases van getrapte degressiviteit. Is dit niet het geval, dan komt hij onmiddellijk terecht in de derde periode met een minimumforfait. Wie niet lang genoeg gewerkt heeft, zal dus veel sneller terugvallen op een lagere uitkering.

In principe daalt de uitkering in elke fase: ofwel omdat de loongrens waarop de uitkering berekend wordt daalt, ofwel omdat het uitkeringspercentage daalt. Er gelden wel minimumbedragen.

3/ In de derde periode van onbepaalde duur valt iedereen voortaan terug op een forfaitbedrag. Dit bedrag is afhankelijk van het statuut van de werkloze. Het maandbedrag ligt op:

1.090,70 euro voor gezinshoofden;

916,24 euro voor alleenstaanden; en

483,86 euro voor samenwonenden (635,44 euro voor ?bevoorrechte samenwonenden?).

Let op! Na de eerste periode van 12 maanden kan de werkloze een anciënniteitstoeslag krijgen indien hij 55 jaar is en een beroepsverleden van 20 jaar kan bewijzen.

Bovendien worden de einddata van de lopende en van de toekomstige fases opgeschoven wanneer men voltijds of deeltijds (zonder inkomensgarantie-uitkering) werkt. Dit zal onder meer ook het geval zijn voor wie een beroepsopleiding volgt van minstens 3 maanden.

De aangegeven bruto maandloongrenzen zijn de bedragen die gelden sinds 1 februari 2012.

Uitzonderingen

De versterkte degressiviteit geldt voor alle inkomenscategorieën. Suggesties om de lagere uitkeringen te sparen, zijn niet weerhouden. Toch noteren we een paar verzachtingen. De RVA laat weten dat de hervorming geen invloed heeft op de rechten van:

tijdelijk werklozen en havenarbeiders;

volledig werklozen met een inschakelingsuitkering;

volledig werklozen met een bedrijfstoeslag;

werklozen die minstens 1 jaar werkloos zijn maar in oktober 2012 al de minimumuitkering krijgen;

werklozen van 50 jaar of ouder die al minstens 1 jaar werkloos zijn en een anciënniteitstoeslag krijgen;

werklozen jonger dan 50 jaar die al minstens 1 jaar werkloos zijn en die een beroepsverleden van 20 jaar kunnen bewijzen;

gerechtigden met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minstens 33%.

Gefixeerd uitkeringsbedrag

In bepaalde gevallen wordt het bedrag van de uitkering gefixeerd. Het daalt dus niet verder. Dit kan tijdelijk of blijvend zijn:

1/ Tijdelijk. Het uitkeringsbedrag wordt tijdelijk gefixeerd in de eerste of tweede vergoedingsperiode tijdens een voltijdse beroepsopleiding.

2/ Blijvend. Het uitkeringsbedrag wordt blijvend gefixeerd in de tweede vergoedingsperiode vanaf het tijdstip waarop de werkloze:

na oktober 2012, de leeftijd van 55 jaar bereikt;

minstens 33% blijvend arbeidsongeschikt is;

een ?voldoende gekwalificeerd beroepsverleden? kan bewijzen.

Een ?voldoende gekwalificeerd beroepsverleden' als loontrekkende impliceert een loopbaan van 20 jaar. Maar die grens wordt jaar na jaar opgetrokken. Op 1 november 2013 moet men 21 loopbaanjaren kunnen bewijzen. Zo komt er elk jaar een jaar bij tot de vereiste loopbaan 25 jaar bedraagt vanaf november 2017.

Terugkeer

Wie na een periode van werkloosheid het werk hervat, kan opnieuw een hogere uitkering krijgen. Maar deze ?terugkeer naar de eerste periode' is enkel mogelijk als men voldoende lang gewerkt heeft in de referteperiode. Dit is de periode vóór de uitkeringsaanvraag.

Het regeerakkoord bepaalt dat de voorwaarden om werkloosheidsuitkeringen te krijgen en terug te keren naar een hogere vergoeding, versoepeld moeten worden. Dit ?om beter rekening te houden met de situaties van deeltijds werken, interim, kortdurig werk of overeenkomsten van bepaalde duur'.

Het KB van 23 juli 2012 voert deze maatregel uit. De referteperiodes worden namelijk verlengd voor uitkeringsaanvragen vanaf november 2012. Het gaat voortaan om:

12 maanden arbeid in de referteperiode van 18 maanden (voltijds of met een wekelijkse arbeidsduur minstens gelijk aan 4/5);

24 maanden arbeid in de referteperiode van 33 maanden (minstens halftijds met behoud van rechten, met of zonder aanvullende uitkering);

36 maanden arbeid in de referteperiode van 45 maanden (minstens 1/3 met behoud van rechten zonder aanvullende uitkering).

Daarnaast worden ook de toelaatbaarheidsvoorwaarden voor werkloosheidsuitkeringen op basis van werk versoepeld. De referteperiodes worden ook hier verlengd zodat het gemakkelijker wordt om aan de voorwaarden te voldoen. Het gaat om een verlenging met:

3 maanden (van 18 naar 21 maanden) voor wie jonger is dan 36 jaar;

6 maanden (van 27 naar 33 maanden) voor wie tussen 36 en 50 jaar is; en

6 maanden (van 36 naar 42 maanden) voor wie 50 jaar is of meer.

Let op! Voortaan wordt altijd rekening gehouden met arbeid in een wedertewerkstellingsprogramma.

Bron: Koninklijk besluit van 23 juli 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering in het kader van de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 tot wijziging van de artikelen 27, 36, 36ter, 36quater, 36sexies, 40, 59quinquies, 59sexies, 63, 79, 92, 93, 94, 97, 124 en 131septies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, BS 30 juli 2012

Bron: Ministerieel besluit van 23 juli 2012 tot wijziging van de artikelen 38bis, 54, 60, 70, 71 en 75bis van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering in het kader van de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen, BS 30 juli 2012

Zie ook:
? Koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, BS 31 december 1991 (Werkloosheidsbesluit 1991)
? Ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, BS 25 januari 1992 (MB werkloosheidsreglementering)