Nieuwe formulieren voor terugbetaling mobiliteitshulpmiddelen

Mobiliteitshulpmiddelen zoals rolstoelen, orthopedische driewielfietsen en looprekken worden voor een groot deel terugbetaald door het ziekenfonds. Vanaf 1 januari 2013 gelden daarvoor nieuwe aanvraagformulieren.

Medisch voorschrift

Patiënten hebben voor de terugbetaling in eerste instantie een medisch voorschrift (bijlage 19) nodig van een arts. Die duidt daarop aan welk mobiliteitshulpmiddel de patiënt nodig heeft. Het kan hierbij gaan over een loophulpmiddel, een orthopedische driewielfiets, een statoestel, een antidecubituszitkussen, een onderstel voor de zitschaal van een rolstoel, een modulair aanpasbaar systeem ter ondersteuning van de zithouding of een aanpassing aan een vroeger afgeleverd mobiliteitshulpmiddel. Ook rolstoelen komen in aanmerking voor terugbetaling. De arts kan hier specificeren of het om een manuele of elektronische rolstoel gaat, dan wel een elektronische scooter. Voortaan komen ook andere mobiliteitshulpmiddelen zoals maatwerk in aanmerking voor terugbetaling.

De arts geeft daarnaast ook een beschrijving van de functionele beperkingen van de patiënt. Dat was vroeger al zo. Nieuw is echter dat hij bij een dossier voor een elektronische scooter, ook moet aangeven of de patiënt in staat is om zo'n voertuig te besturen. De beoordeling gebeurt op basis van de Internationale classificatie van het menselijk functioneren (ICF). Bijlage 19 vermeldt hierbij voortaan de Nederlandse homepagina van de website van de rivm (National Institute of Public Health and the Environment) waarop bijkomende informatie staat.

Voortaan moet de arts ook duidelijk motiveren waarom een voortijdige vernieuwing van een antidecubituszitkussen noodzakelijk is.

Niet alleen voor de arts zijn er nieuwigheden, ook het deel van de bijlage 19 dat de patiënt moet invullen werd gewijzigd. Het standaardoverzicht ?gebruiksdoelen van het mobiliteitshulpmiddel? werd uitgebreid. De categorieën ?voor beperkt gebruik per dag' en ?als zitplaats in een voertuig' zijn automatisch weergegeven als mogelijk gebruiksdoel. Voortaan kan de patiënt ook zijn opmerkingen vermelden. Verder is de lijst met factoren die het gebruik van een mobiliteitshulpmiddel beïnvloeden niet langer beperkt tot ?bijzonderheden van de woonomgeving, de werkomgeving, bij opleiding, vorming of scholing en sociale activiteiten'. De patiënt heeft de mogelijkheid om andere elementen op te geven.

Multidisciplinair functioneringsrapport

Met het voorschrift stapt de patiënt naar een erkend bandagist. Die zal het hulpmiddel aanraden dat het best past bij de functionele noden van de patiënt. Voor sommige hulpmiddelen en/of aanpassingen is echter ook een multidiciplinair functioneringsrapport nodig. Dit is het geval voor de aanvraag van een kinderrolstoel, een manuele of elektronische rolstoel, een elektronische binnen en/of buitenscooter, een stasysteem, een orthopedische driewielerfiets in cumul met een manueel actieve rolstoel voor volwassenen, de voortijdige hernieuwing van een rolstoel of de voortijdige aanpassing aan een reeds afgeleverde rolstoel. In dat geval vult een multidisciplinair team bijlage 19bis in. Hierop staat voortaan uitdrukkelijk dat alle rubrieken moeten worden ingevuld, tenzij anders vermeld.

De bandagist die de patiënt doorverwijst naar een multidisciplinair team is bovendien verplicht zijn gegevens en de reden van doorverwijzing te vermelden. Dit was voorheen niet nodig.

Het document beschrijft het functioneren van de patiënt op verschillende niveaus en in zijn omgeving. De beoordeling gebeurt op basis van de Internationale classificatie van het menselijk functioneren (ICF). Net als bijlage 19, vermeldt ook bijlage 19bis voortaan de link naar bijkomende informatie op de website van de rivm. Het aantal functies waarop het multidisciplinair team een antwoord moet geven, is gevoelig uitgebreid. O.a. met ?de functie van de bovenste ledematen en resterende functies in relatie tot besturing van een elektronische scooter' en ?de functie van de staande houding'.

Motiveringsrapport

Het motiveringsrapport (bijlage 19ter) dat de erkende bandagist moet invullen, is niet gewijzigd. Volledigheidshalve werd ook deze bijlage hernieuwd.

Aanvraag verzekeringstegemoetkoming

Tot slot richt de bandagist een aanvraag tot verzekeringstegemoetkoming (bijlage 20) aan de adviserende arts van het betrokken ziekenfonds. In die aanvraag omschrijft hij het gevraagde mobiliteitshulpmiddel en de individuele aanpassingen. Het document vermeldt zowel de verstrekkingen die in de nomenclatuur zijn opgenomen, als de aanpassingen of onderdelen die niet door de ziekteverzekering kunnen worden vergoed. De bandagist is voortaan verplicht om ook zijn telefoonnummer, e-mail adres en ondernemingsnummer te noteren.

Een beschrijving van maatwerk wordt vanaf nu toegevoegd als bijlage en niet meer in het aanvraagformulier zelf. De bandagist moet bevestigen dat hij de patiënt voldoende heeft ingelicht over prijssupplementen. De patiënt moet op zijn beurt aangeven dat hij duidelijk geïnformeerd is.

Eén dossier volstaat om zowel bij de verzekering voor geneeskundige verzorging als bij de fondsen voor de sociale integratie van personen met een handicap een aanvraag in te dienen. Vanaf nu moet de patiënt op de tegemoetkomingsaanvraag wel duidelijk aangeven naar welk agentschap (AWIPH, DPB, SBFPH, VAPH) het ziekenfonds zijn dossier moet opsturen. Hij geeft ook aan op welke tussenkomst de aanvraag betrekking heeft.

Op bijlage 20 geeft de adviserende geneesheer van het ziekenfonds zijn beslissing weer. Weigeringen moeten voortaan uitdrukkelijk gemotiveerd worden. Het formulier bevat een aantal standaard weigeringsgronden zoals ?er werd niet beantwoord aan de wettelijke bepalingen en ?het volgende mobiliteitshulpmiddel/aanpassing is niet opgenomen op de vergoedingslijst'. De arts kan echter ook andere gronden opgeven.

Het onderdeel dat moet worden ingevuld bij toepassing van de derdebetalersregeling werd niet gewijzigd.

In werking?

De verordening van 22 oktober 2012 van het Verzekeringscomité treedt in werking op 1 januari 2013. Bijlagen die voor die datum zijn opgesteld, blijven geldig tot het einde van de aanvraagprocedure.

Bron: Verordening van 22 oktober 2012 tot wijziging van de verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, BS 19 november 2012.

Zie ook
Verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, BS 29 augustus 2003. (art. 6 en bijlagen 19, 19bis, 19ter en 20)
Verordening van 31 januari 2005 tot wijziging van de verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, BS 22 maart 2005.