Wetgever stuurt hervorming overheidspensioen bij

De wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen heeft een pensioenhervorming voor de overheidssector doorgevoerd. Maar zoals vaak bij haastig werk, bevat de wet wat onnauwkeurigheden. Bovendien volstaat de aan de Koning verleende delegatie niet om alle bijkomende overgangsmaatregelen uit te werken.

Vandaar dat een wet van 13 december 2012 orde op zaken heeft gesteld. Ze bundelt een resem wijzigingsbepalingen die de pensioenhervorming haalbaar moeten maken. Tegelijk regelt de wetgever een aantal zaken die sowieso niet bij koninklijk besluit te regelen zijn. Ook de administratieve vereenvoudiging komt daarbij aan bod.

Belangrijkste maatregelen

Op basis van de voorbereidende werken, vatten we de belangrijkste maatregelen uit de pensioenwet van 13 december 2012 samen:

1/ Wie tijdens een bepaald jaar voldoet aan de voorwaarden om met vervroegd pensioen te gaan, is niet verplicht om dat jaar al met pensioen te gaan. Deze waarborg geldt ook voor wie na het vervullen van de pensioenvoorwaarden van beroepscategorie verandert.

2/ Wie op 31 december 2012 57 jaar is, kan vanaf 62 jaar met pensioen met een loopbaan van 37 jaar. Men zal dus maximum 2 jaar langer moeten werken.

3/ Wie op 31 december 2012 60 jaar is en minstens 5 effectieve dienstjaren in de openbare sector heeft, kan vanaf 1 januari 2013 nog met pensioen onder de oude voorwaarden.

4/ Wie in december van het overgangsjaar 2013, 2014 of 2015 voldoet aan de in dat jaar geldende leeftijds- en loopbaanvoorwaarden, kan volgens die voorwaarden nog met pensioen vanaf 1 januari van het daarop volgende jaar.

5/ De diensten als vrijwillige brandweerman tellen mee bij het bepalen van het aantal loopbaanjaren dat vereist is voor de opening van het recht op pensioen als beroepsbrandweerman.

6/ Voor het bepalen van het bereikte aantal loopbaanjaren dat in aanmerking komt voor de opening van het recht op pensioen, wordt een verhogingscoëfficiënt toegepast op de werkelijke diensten waaraan de wet ? of het pensioenreglement van de NMBS ? voor de berekening van het pensioen een voordeliger tantième dan 1/60 verbindt.

Deze verhogingscoëfficiënt geldt ook voor de diensten als vrijwillige brandweerman, voor de bezoldigde verlofperioden, en voor de perioden van disponibiliteit of verlof voorafgaand aan het rustpensioen.

De coëfficiënten blijven de eerste 5 jaar ongewijzigd. Vanaf 2017 zullen ze geleidelijk verminderen om in 2022 opnieuw te stabiliseren. Op de pensioenen die in januari van de overgangsjaren 2017 tot 2022 ingaan, worden de verhogingscoëfficiënten toegepast van het voorafgaande jaar.

7/ De wetgever verduidelijkt dat de bestaande uitzondering voor het rijdend personeel van de NMBS, voor bepaalde leden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie en voor militairen, niet alleen geldt voor het behoud van de preferentiële leeftijdsgrenzen, maar ook voor het behoud van de loopbaanvoorwaarden.

8/ De bestaande uitzondering voor het rijdend personeel van de NMBS wordt beperkt tot het rijdend personeel zoals het op 28 december 2011 gedefinieerd werd in het pensioenreglement van de NMBS Holding.

9/ Voor een aantal categorieën van gewezen militairen die naar een andere werkgever werden overgeplaatst, worden bepaalde preferentiële leeftijds- en loopbaanvoorwaarden behouden.

10/ De overgangsmaatregel die toelaat om op 60 jaar met pensioen te gaan bij het verstrijken van de disponibiliteit voorafgaand aan het rustpensioen, wordt gepreciseerd en versoepeld. En de scharnierdatum voor de toepassing van deze maatregel wordt verschoven van 28 november 2011 naar 1 januari 2012.

11/ De verzamelwet van 28 december 2011 heeft het regime gewijzigd voor de afwezigheden die meetellen voor het pensioen. Die wijzigingen worden nu verduidelijkt en beter afgestemd op een aantal nieuwe vormen van arbeidsduurvermindering die mogelijk zijn vanaf 50 of 55 jaar.

12/ De beperking van de voordelige tantièmes voor wie vervroegd met pensioen gaat met minder dan 20 dienstjaren in de openbare sector, wordt uitgebreid. Hierdoor zal ook het nieuwe tantième 1/48 beperkt worden tot 1/50 bij de berekening van het pensioen.

13/ De referentieperiode wordt op minstens 4 jaar gebracht voor de pensioenen die berekend worden op basis van een gemiddelde wedde over een referentieperiode die korter is dan de laatste 5 jaar van de loopbaan.

14/ Als het pensioen op basis van de gemiddelde wedde van de laatste 10 jaar van de loopbaan lager ligt dan het minimum, moet het pensioen herberekend worden op basis van de gemiddelde wedde van de laatste 5 jaar van de loopbaan, zonder dat minimumbedrag te mogen overschrijden.

15/ De Koning krijgt de bevoegdheid om een minimumpensioenbedrag te bepalen voor de laagste pensioenen.

In werking

Globaal genomen treedt de pensioenwet van 13 december 2012 retroactief in werking op 1 januari 2012.

Bron: Wet van 13 december 2012 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector, BS 21 december 2012

Zie ook:
Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, BS 30 december 2011 (art. 85 ev. DB)