Meer duidelijkheid omtrent inzage en afschrift van strafdossier (art. 22-28 DBJ)

De wet houdende diverse bepalingen betreffende justitie regelt de inzage en het afschrift van het strafdossier. Tijdens het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek wordt het recht om inzage te vragen ingevoerd voor een aantal ?rechtstreeks belanghebbenden'. Maar het gaat niet om een automatische en periodieke inzage.

Inzage

Het recht om inzage en afschrift van het dossier te vragen, wordt toegekend aan de persoon die een verklaring van benadeelde persoon heeft gedaan. Daartoe wordt de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en het Wetboek van strafvordering aangevuld.

Dat recht wordt ook toegekend aan de ?rechtstreeks belanghebbenden?. Het verzoek tot het verlenen van inzage of afschrift van het dossier aan die belanghebbenden wordt beoordeeld door de onderzoeksrechter of het openbaar ministerie, naargelang van de stand van de procedure. De kosten van de afschriften zijn ten laste van de personen die ze aanvragen.

Rechtstreeks belanghebbende

De algemene regeling wordt opgenomen in een nieuw artikel 21bis, onder een nieuw hoofdstuk IIIbis van het eerste boek van het Wetboek van strafvordering. Dit onder voorbehoud van de toepassing van bijzondere bepalingen. Zo heeft iedereen die bij een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wordt ondervraagd, recht op een kopie van het verhoor.

De wetgever verstaat onder ?rechtstreeks belanghebbende':

de inverdenkinggestelde;

diegene tegen wie de strafvordering is ingesteld in het kader van het gerechtelijk onderzoek;

de verdachte;

de burgerrechtelijk aansprakelijke partij;

de burgerlijke partij;

diegene die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd;

diegenen die gesubrogeerd zijn in hun rechten of die hen als lasthebber ad hoc, curator, voorlopig bewindvoerder, voogd of voogd ad hoc vertegenwoordigen.

Let op! De wetgever bepaalt dat ?in alle andere gevallen' de beslissing over het verlenen van inzage of afschrift genomen wordt door het openbaar ministerie, zelfs tijdens het gerechtelijk onderzoek. Het gaat hier om de internationale gegevensuitwisseling en andere niet-strikt dossiergebonden inlichtingen, en over de uitwisseling van gegevens. Denk maar aan wetenschappelijk onderzoek, publicaties, verzoeken die niet uitgaan van rechtstreeks belanghebbenden ?

Gerechtelijk onderzoek

De beoordeling van het verzoek van de ?rechtstreeks belanghebbende' tijdens het gerechtelijk onderzoek wordt geregeld in het aangepaste artikel 61ter van het Wetboek van strafvordering.

De onderzoeksrechter oordeelt namelijk over het recht op inzage of afschrift van het strafdossier. Nu bestaat dat recht ook al maar het is beperkt tot de niet-aangehouden inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij. Beroep bij de Kamer van inbeschuldigingstelling is mogelijk. Tijdens het opsporingsonderzoek oordeelt het openbaar ministerie daarentegen soeverein over het verzoek.

Verzoekschrift

Het verzoekschrift van de rechtstreeks belanghebbenden moet op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen omkleed zijn, en het houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Dit gebeurt ten vroegste een maand na het instellen van de strafvordering.

De onderzoeksrechter doet uitspraak ten laatste een maand na de inschrijving van het verzoekschrift in het register. Hij kan de inzage of het afschrift van het dossier of van bepaalde stukken verbieden of beperken. Wordt het verzoek ingewilligd, dan wordt het dossier in origineel of in kopie minstens 48 uur ter beschikking gesteld van de verzoeker en zijn advocaat. Het verloop van de procedure wordt volledig uitgewerkt in het aangepaste artikel 61ter.

Verdediging

De verzoeker kan de inlichtingen enkel gebruiken in het belang van zijn verdediging. En dit enkel op voorwaarde dat hij het vermoeden van onschuld in acht neemt en de rechten van verdediging van derden, het privéleven en de waardigheid van de persoon respecteert.

Daarom wordt ook artikel 460ter van het Strafwetboek aangepast. Die bepaling bestraft het misbruik van de verkregen informatie. Parallel met de verruiming van het inzagerecht tot rechtstreeks belanghebbenden, krijgt de strafbaarstelling bij misbruik van de door inzage van het strafdossier verkregen inlichtingen een algemene draagwijdte.

Tuchtoverheid

Tot slot moeten we nog meegeven dat de bevoegdheid van het openbaar ministerie om inzage of afschrift te verlenen voor tucht- of administratieve doeleinden uitdrukkelijk wordt vastgelegd in artikel 1380, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

De wetgever bepaalt namelijk dat het openbaar ministerie bevoegd is om ?mededeling te doen of om over het afleveren van afschrift van akten van onderzoek en van rechtspleging te oordelen in tuchtzaken of voor administratieve doeleinden'.

Op die manier verleent men een juridische basis voor de bevoegdheid van het openbaar ministerie om aan de tuchtoverheid bijvoorbeeld de noodzakelijke informatie te verlenen om een ambtenaar, leraar, politieambtenaar ? tijdelijk te schorsen in afwachting van de definitieve uitkomst van de strafprocedure, of een andere administratieve maatregel. Zo'n administratieve maatregel die geen tuchtmaatregel is, kan bijvoorbeeld het verplaatsen zijn naar een dienst waar er geen contact met het publiek is.

In werking

Dit onderdeel van de verzamelwet van 27 december 2012 treedt in werking op 10 februari 2013.

Bron: Wet van 27 december 2012 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, BS 31 januari 2013 (art. 22-28 DBJ)

Zie ook:
? Art. 5bis, §3 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering
? Art. 61 ev. van het Wetboek van strafvordering