Stageverplichting voor privésector krijgt vorm

Werkgevers in de privésector moeten samen een minimaal aantal werkplekleerplaatsen ter beschikking stellen. Daar heeft een verzamelwet van 27 december 2012 voor gezorgd. Nu wordt die maatregel verder uitgevoerd in een KB van 19 februari 2013.

Stage-engagement

De wet houdende tewerkstellingsplan heeft een globaal stage-engagement voor werkgevers ingevoerd. Dit betekent dat alle werkgevers uit de private sector (toepassingsgebied CAO-wet) verplicht zijn om samen jaarlijks een aantal werkplekleerplaatsen ter beschikking te stellen, ongeacht het aantal werknemers dat elk afzonderlijk tewerkstelt. De wetgever heeft het over een verplichting van 1% van hun totale personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten tijdens het tweede kwartaal van het voorafgaande jaar.

Wordt het globale engagement niet gehaald, dan kan de globale verplichting later omgezet worden in een individuele verplichting. Dit kan ten vroegste op 1 januari 2015. In dat geval zal het individuele personeelsbestand wel van belang zijn.

Uitvoering

Deze nieuwe regeling werd ingeschreven in de wet ter bevordering van de werkgelegenheid van 24 december 1999. Ze is globaal genomen in werking getreden op 1 januari 2013. Maar er was nog heel wat werk. Zo moest een KB, na advies van de Nationale Arbeidsraad (NAR), onder andere nog bepalen wat men verstaat onder ?personeelsbestand'.

Een KB van 19 februari 2013 bepaalt nu hoe het totale personeelsbestand, uitgedrukt in voltijdse equivalenten (VTE's), wordt berekend en hoe het aantal ter beschikking gestelde werkplekleerplaatsen wordt vastgesteld.

?Werkplekleerplaatsen' wordt hier gebruikt als verzamelterm voor verschillende vormen van leren op de werkvloer. Het gaat om:

Jongeren met een startbaanovereenkomst (SBO) die bestaat uit een leerovereenkomst (SBO type 3).

Jongeren met een startbaanovereenkomst (SBO) die bestaat uit een combinatie van een deeltijdse arbeidsovereenkomst en een door de jongere gevolgde opleiding (SBO type 2).

Jongeren in een instapstage. De instapstage biedt jonge laaggeschoolde werkzoekenden de mogelijkheid om een stage te volgen in een onderneming, een vzw, of bij een administratieve overheid. De jongere krijgt een stage-uitkering van de RVA en een vergoeding van 200 euro per maand van de werkgever. Het gaat om een vernieuwde regeling die op 1 januari 2013 in werking getreden is.

Jongeren in een beroepsopleiding.

Een KB kan deze definitie uitbreiden na advies van de NAR.

Personeelsbestand

Het uitvoerings-KB van 19 februari 2013 omschrijft het ?personeelsbestand' als de personen waarvoor de werkgever socialezekerheidsbijdragen betaalt. Dit met de nodige verwijzingen naar de algemene beginselenwetten van de sociale zekerheid voor werknemers en zeelieden.

Het personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten (VTE's), is de som van de voltijdse equivalenten-breuken (VTE-breuken), berekend per individuele werknemer over het betrokken kwartaal.

Een ?kwartaal' is hier de periode die gedekt is door de uitbetalingen waarvan de sluitingsdag in eenzelfde kalenderkwartaal gelegen is. Wanneer de laatste dag van deze periode onmiddellijk wordt gevolgd door een of meer normale rustdagen, wordt de rustdag die geen zondag is, mee in aanmerking genomen. Die omschrijving is opgenomen in het uitvoeringsbesluit bij de RSZ-wet.

Voor de omschrijving van het begrip ?tewerkstelling' verwijst men naar een opsomming van kenmerken die opgenomen is een KB van 16 mei 2003 dat de verminderingen van de socialezekerheidsbijdragen geharmoniseerd heeft. Een tewerkstelling wordt omschreven als een arbeidsverhouding als werknemer waarvan eens reeks kenmerken zoals de begindatum ongewijzigd blijven.

Formules

De VTE-breuk wordt individueel brekend met een reeks formules die uitgebreid aan bod komt in het uitvoeringsbesluit. Dit gebeurt per tewerkstelling. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen tewerkstellingen die uitsluitend met dagen worden aangegeven, en tewerkstellingen die met dagen én uren worden aangegeven. Ook het type van werkplekleerplaats is bepalend voor de formule.

Het KB van 19 februari 2013 voegt daar uitdrukkelijk aan toe dat de cursist of stagiair die de individuele beroepsopleiding of instapstage volgt, hier beschouwd wordt als werknemer. En de onderneming, vereniging, instelling of bestuur waar de individuele beroepsopleiding of instapstage plaatsvindt, is de werkgever.

De wet van 27 december 2012 bepaalt dat jongeren die onmiddellijk na hun opleiding op een werkplekleerplaats een gewone arbeidsovereenkomst krijgen van dezelfde werkgever, nog gedurende 3 kwartalen (plus het kwartaal van aanwerving) worden meegeteld voor de 1%-verplichting. Voor hen voorziet het uitvoeringsbesluit ook in afzonderlijke berekeningsformules.

Let op! Het totaal van de VTE-breuken van alle tewerkstellingen van een werknemer kan nooit groter zijn dan 1. De VTE-breuk wordt afgerond tot op twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 wordt afgerond naar boven.

Globale verplichting

Voor de invulling van de stageverplichting wordt het totaal personeelsbestand van de werkgevers in de privésector bekomen door de personeelsbestanden van al deze werkgevers (onderworpen aan de CAO-wet) op te tellen.

Het aantal ter beschikking gestelde werkplekleerplaatsen wordt vastgesteld door de VTE-breuken van alle jongeren (verschillende types werkplekleerplaatsen) en van alle werknemers (arbeidsovereenkomst na opleiding) over het kwartaal samen te tellen.

Zoals gezegd, wordt de VTE-breuk voor elk van deze jongeren en werknemers apart berekend over het kwartaal.

NAR

Net als in hun vorige advies plaatsen de sociale partners in de NAR nog steeds een paar vraagtekens bij de concrete uitvoering van de nieuwe maatregel. Zo stellen ze de verhouding van de stageverplichting tot de startbaanverplichting opnieuw in vraag. En ze vragen zich af of de nieuwe verplichting zal worden meegeteld bij de opleidingsinspanningen in de sociale balans.

Bovendien heeft de raad vragen bij de haalbaarheid van de berekeningsmethode. En er rijzen ook vragen bij de evaluatietermijn die de wetgever voorschrijft. Dat blijkt uit het advies nr. 1.817 van 30 oktober 2012.

In werking

Het KB van 19 februari 2013 treedt retroactief in werking op 1 januari 2013.

Bron: Koninklijk besluit van 19 februari 2013 tot uitvoering van artikel 42/1 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, BS 11 maart 2013

Zie ook:
? Artikel 42/1 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, BS 27 januari 2000
? Wet van 27 december 2012 houdende tewerkstellingsplan, BS 31 december 2012 (art 10-12 Wet Tewerkstellingsplan)
? Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, BS 2 juli 1981
? Besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, BS 17 februari 1945
? Koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, BS 5 december 1969 (Uitvoeringsbesluit bij de RSZ-wet)
? Koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, BS 6 juni 2003
? Nationale Arbeidsraad, advies nr. 1814 van 25 september 2012, ?Relancestrategie - Voorontwerp van wet houdende het tewerkstellingsplan'
? Nationale Arbeidsraad, advies nr. 1817 van 30 oktober 2012, ?Relancestrategie ? Invoering van een globale verbintenis van de werkgevers inzake stage-plaatsen ? Ontwerp van koninklijk besluit'