Strenger regime voor gelijkgestelde periodes werknemerspensioen

De overheid wil mensen langer aan de slag houden. Daarom heeft de wetgever bij de pensioenberekening gesleuteld aan de gelijkgestelde periodes.

Door sommige van die periodes anders te waarderen, wordt de band tussen pensioen en arbeid versterkt. De basis voor die nieuwe aanpak ligt in een verzamelwet van 28 december 2011. Maar voor de concrete uitwerking bleef het wachten op een uitvoerings-KB dat nu verschenen is.

Gelijkgestelde tijdvakken

De regering kreeg de bevoegdheid om voor werknemers regels uit te werken voor een reeks gelijkgestelde tijdvakken die gelegen zijn na 31 december 2011. Bedoeling is om ?werken' te laten primeren op periodes van inactiviteit die met arbeid worden gelijkgesteld.

De wetgever heeft het over:

periodes van werkloosheid van de derde periode;

periodes van werkloosheid met bedrijfstoeslag gelegen vóór de leeftijd van 60 jaar, met uitzondering van onder andere de stelsels van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) in een bedrijf in moeilijkheden of herstructurering;

periodes van tijdskrediet op het einde van de loopbaan, opgenomen vóór de leeftijd van 60 jaar;

periodes van tijdskrediet op het einde van de loopbaan, opgenomen na de leeftijd van 60 jaar, met uitzondering van 2 jaar halftijds tijdskrediet en 5 jaar 1/5 tijdskrediet;

periodes van gehele of gedeeltelijke vrijwillige loopbaanonderbreking en tijdskrediet, met uitzondering van het gemotiveerde tijdskrediet en de thematische verloven. Bij een arbeidsduurvermindering met 1/5 zal de gelijkstelling in dagen geteld kunnen worden.

Uitvoering

De wettelijke basis wordt nu verder uitgewerkt in een KB van 27 februari 2013. Dit uitvoeringsbesluit omschrijft de toekennings- en berekeningsregels voor bepaalde gelijkgestelde periodes binnen het werknemerspensioen. Daarnaast bevat de tekst ook andere wijzigingen. Zo beschermt men de pensioenrechten van bepaalde ?bruggepensioneerden' die het werk deeltijds hebben hervat.

Eigenlijk komt het erop neer dat de opgesomde gelijkgestelde periodes minder gunstig behandeld zullen worden bij de pensioenberekening. Het pensioen zal namelijk niet meer berekend worden op basis van het normaal fictief loon, maar op basis van het referteloon dat als basis dient om het minimumrecht per loopbaanjaar te berekenen.

Die correctie zal wel enkel plaatsvinden wanneer het referteloon lager ligt dan het normaal fictief loon. Is het normaal fictief loon daarentegen lager dan het referteloon, dan wordt het pensioen berekend op het normaal fictief loon.

Sociale correcties

Het KB van 27 februari 2013 bevat 3 belangrijke sociale correcties:

1/ In twee gevallen zal men de berekening voor derde vergoedingsperiodes van de werkloosheid toch maken op basis van het normaal fictief loon:

De eerste uitzondering omvat de personen die zich op 1 november 2012 in een derde werkloosheidsperiode bevinden, en die op dat moment al de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.

De tweede uitzondering omvat de derde vergoedingsperiodes die gelegen zijn na de 55e verjaardag, voor zover het gaat om een werkloze die vanaf de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden.

Sinds 1 november 2012 gelden nieuwe regels voor de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen. Maar uit het verslag aan de Koning blijkt dat het niet de bedoeling is dat 55-plussers die zich op 1 november 2012 al in een derde werkloosheidsperiode bevonden, pensioenrechten verliezen.

2/ Bepaalde periodes van werkloosheid met bedrijfstoeslag en bepaalde periodes van ?pseudobrugpensioen? (gelijkaardig voordeel als SWT) zullen ook gewaardeerd worden aan het normaal fictief loon. Dit is het geval voor de periodes van werkloosheid met bedrijfstoeslag of ?pseudobrugpensioen' die gelegen zijn na de maand waarin de betrokkene 59 jaar is geworden.

Bij de landingsbanen (en de vergelijkbare verminderingen van de arbeidsprestaties bij loopbaanonderbreking) wordt vanaf de leeftijd van 60 jaar een periode gelijk aan 1 jaar voltijdse equivalent aan het normaal fictief loon gelijkgesteld. Dit is een periode van 24 maanden bij een halftijdse landingsbaan, of een periode van 60 maanden bij een 1/5 landingsbaan.

3/ Sommige periodes van werkloosheid met bedrijfstoeslag worden gelijkgesteld op basis van het normaal fictief loon, ook al liggen ze vóór de 59e verjaardag. Die periodes waren al vastgelegd door de wetgever. Het gaat hier onder andere om SWT bij ondernemingen in moeilijkheden of herstructurering, en SWT voor werknemers met een beroepsverleden van 35 jaar die een zwaar beroep uitoefenen.

Let op! Deze sociale correcties komen bovenop de overgangsmaatregelen uit de wet van 28 december 2011. Zo verandert er bijvoorbeeld niets voor werknemers die al vóór 28 november 2011 ontslagen werden met het oog op SWT.

Fictief loon

Het zwaartepunt van de nieuwe regeling ligt bij artikel 34 van Algemeen Reglement voor het Werknemerspensioen. Die bepaling bevat namelijk een opsomming van de periodes van inactiviteit die met arbeid gelijkgesteld kunnen worden. Uiteraard zijn daar voorwaarden aan gekoppeld.

Als algemene regel geldt dat de betrokkene gedurende de gelijkgestelde periode een uitkering moet ontvangen. Maar het nieuwe KB voorziet op dit punt in een uitzondering voor de vierde maand ouderschapsverlof. Er is namelijk sprake van een gelijkstelling, ongeacht of er al dan niet uitkeringen zijn betaald door de RVA.

Het fictief loon op basis waarvan de gelijkgestelde periodes meetellen bij de berekening van het pensioen, is vastgelegd in artikel 24bis van hetzelfde reglement. Logischerwijs wordt dus ook deze bepaling aangepast.

Het ?normaal fictief loon' heeft als basis:

het dagelijks gemiddelde van de werkelijke, forfaitaire en fictieve lonen met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar;

of bij gebrek aan deze refertegegevens, het dagelijks gemiddelde van de werkelijke en forfaitaire lonen met betrekking tot het lopende kalenderjaar;

of nog, bij gebrek aan dergelijk loon voor het lopende jaar, het dagelijks gemiddelde van de lonen met betrekking tot het eerste jaar dat volgt op de periode van inactiviteit en waarin arbeidsprestaties als werknemer werden verricht.

Maar dit normaal fictief loon moet dus onderscheiden worden van het ?beperkt fictief loon? dat voor sommige gelijkgestelde periodes in rekening wordt gebracht. Zoals gezegd, komt dit beperkt fictief loon overeen met het referteloon dat men gebruikt om het minimumrecht per loopbaanjaar te bepalen. Het gaat om 22.189,36 euro (index december 2012).

Gunstregime

Het KB van 27 februari 2013 treedt globaal genomen retroactief in werking op 1 januari 2012. Het is van toepassing op de pensioenen die voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2013 ingaan.

Maar de artikelen 7 en 9 treden pas in werking op 1 januari 2007. Beide artikelen horen samen:

Artikel 7 zorgt ervoor dat de voltijds bruggepensioneerde of werkloze met bedrijfstoeslag die een deeltijdse betrekking als werknemer herneemt, recht heeft op een pensioen dat niet enkel berekend is op basis van zijn arbeidsprestaties maar ook op basis van de niet-gepresteerde dagen. Ze worden namelijk gelijkgesteld met een deeltijdse werknemer die in de werkloosheidsreglementering het statuut ?deeltijdse werknemer met behoud van rechten? krijgt.

Artikel 9 bepaalt dat de gelijkstelling van de periodes van inactiviteit die geregistreerd zijn voor de voltijds bruggepensioneerde of werkloze met bedrijfstoeslag die een deeltijdse betrekking herneemt, op dezelfde wijze gebeurt als bij de deeltijdse werknemer met behoud van rechten.

Voor de toepassing van dit gunstregime kan de gepensioneerde die al een definitieve beslissing over zijn pensioenrechten heeft ontvangen, bij de Rijksdienst voor Pensioenen een aanvraag tot herziening doen.

Let op! De aanvraag tot herziening moet ingediend worden binnen de 6 maanden, te rekenen vanaf 8 maart 2013. Dat is de dag waarop het nieuwe KB van 27 februari 2013 in het Staatsblad gepubliceerd is.

Bron: Koninklijk besluit van 27 februari 2013 tot uitvoering van artikel 122 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen en tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de gelijkgestelde perioden, BS 8 maart 2013

Zie ook:
Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, BS 30 december 2011 (art. 122 WDB)

Koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, BS 16 januari 1968 (art. 34 van het Algemeen Reglement voor het Werknemerspensioen)