Waardering gelijkgestelde periodes pensioenberekening bijgestuurd

De recente pensioenhervorming heeft ervoor gezorgd dat men voor de waardering van bepaalde gelijkgestelde periodes bij de pensioenberekening teruggrijpt naar het ?gewaarborgd minimum jaarrecht'. De wetgever zorgt er nu voor dat dit beperkt fictief loon niet meetelt bij het bepalen van het loonplafond voor de pensioenberekening.

Gelijkgestelde periodes

Met de pensioenhervorming van eind 2011 wil de overheid mensen langer aan de slag houden. De herwaardering van de gelijkgestelde periodes bij de pensioenberekening is een manier om dat te doen. Door sommige van die periodes anders te waarderen, wordt de band tussen pensioen en arbeid immers versterkt.

De basis voor die aanpak ligt in een verzamelwet van 28 december 2011. De wetgever verwijst onder andere naar periodes van werkloosheid van de derde periode, bepaalde periodes van werkloosheid met bedrijfstoeslag en periodes van tijdskrediet op het einde van de loopbaan.

Fictief loon

Een KB van 27 februari 2013 heeft de wettelijke basis verder uitgewerkt. De tekst bevat de toekennings- en berekeningsregels voor bepaalde gelijkgestelde periodes binnen het werknemerspensioen. En we noteren een paar ?sociale correcties'.

Eigenlijk zorgt dit KB ervoor dat de opgesomde gelijkgestelde periodes minder gunstig behandeld worden bij de pensioenberekening. Want het pensioen wordt niet meer berekend op basis van het normaal fictief loon, maar op basis van het referteloon dat als basis dient om het minimumrecht per loopbaanjaar te berekenen. Het fictief loon wordt voor bepaalde gelijkgestelde periodes dus beperkt tot het ?gewaarborgd minimum jaarrecht'.

Die correctie vindt enkel plaats wanneer het referteloon lager ligt dan het normaal fictief loon. Is het normaal fictief loon lager dan het referteloon, dan wordt het pensioen berekend op het normaal fictief loon.

Bijkomende correctie

De pensioenwet van 24 juni 2013 voert een bijkomende correctie door. De wetgever zorgt er namelijk voor dat het beperkt fictief loon voor de gelijkgestelde periodes van inactiviteit niet meetelt voor de berekening van het begrensd totaal loon.

Dit om te voorkomen dat werknemers met een totaal loon dat de loongrens overschrijdt, worden bevoordeeld tegenover werknemers bij wie dit niet het geval is. De impact van de beperking van het fictief loon tot het referteloon wordt op die manier gewaarborgd, ongeacht de omvang van de lonen die de werknemer ontvangen heeft.

Kortom, het fictief loon dat beperkt is tot het gewaarborgd minimum jaarrecht wordt uitgesloten bij het bepalen van het loonplafond dat in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het pensioen! Tegelijk worden de gelijkgestelde dagen waarvan het beperkt fictief loon in aanmerking werd genomen, uitgesloten van de teller van de breuk die men hanteert bij de bepaling van het loonplafond.

Om een en ander toe te lichten bevat de memorie van toelichting bij de nieuwe wet een paar cijfervoorbeelden.

In werking

Dit onderdeel van de wet van 24 juni 2013 houdende diverse bepalingen inzake pensioenen treedt retroactief in werking op 1 januari 2012. De regeling is van toepassing op de rustpensioenen die voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2013 ingaan, voor de kalenderjaren na 31 december 2011.

Bron: Wet van 24 juni 2013 houdende diverse bepalingen inzake pensioenen, BS 1 juli 2013

Zie ook:
? Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, BS 30 december 2011 (art. 122 WDB)
? Koninklijk besluit van 27 februari 2013 tot uitvoering van artikel 122 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen en tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de gelijkgestelde perioden, BS 8 maart 2013