Opheffing bankgeheim: fiscus verwittigt belastingplichtige ook bij vraag van buitenlandse administratie (art. 27 DB Fiscaal)

De fiscus zal voortaan ook een kennisgeving naar de belastingplichtige sturen als de vraag om het bankgeheim te doorbreken uitgaat van een buitenlandse administratie. De buitenlandse administratie kan wel vragen om de belastingplichtige niet te verwittigen omdat de rechten van de (buitenlandse) Schatkist in gevaar zijn, of als ze zelf al een kennisgeving verstuurd heeft.

Opheffing bankgeheim

Sinds 1 juli 2011 mag de fiscus aan een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling inlichtingen vragen over de rekeningen van een belastingplichtige zodra er aanwijzingen zijn van belastingontduiking of als hij van plan is om een indiciaire aanslag te vestigen. Er is wel toestemming nodig van een gewestelijk directeur van de belastingen. En de belastingplichtige moet eerst de kans gekregen hebben om te antwoorden op een 'vraag om inlichtingen' van de fiscus.

Verplichte kennisgeving

Op het moment dat de fiscus gegevens opvraagt bij een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling, moet hij de belastingplichtige daarvan in kennis stellen. Hij moet daarbij ook de ?aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of van de gegevens op grond waarvan hij meent dat het gevoerde onderzoek tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen? . Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het verzenden de vraag om inlichtingen (art. 333/1, § 1, 1ste lid, WIB 1992).

Grondwettelijk hof verplicht kennisgeving bij vraag buitenlandse fiscus

Er stond ook in de wet dat de fiscus niet verplicht was om een kennisgeving aan de belastingplichtige te sturen als de vraag om het bankgeheim te doorbreken uitging van een buitenlandse belastingadministratie (art. 333/1, § 1, 'oud' lid 3, WIB 1992).

Maar het Grondwettelijk Hof oordeelde (arrest nr. 66/2013) dat ?het verschil in behandeling inzake de kennisgeving tussen de vragen van de administratie naargelang die al dan niet het gevolg zijn van het verzoek van een buitenlandse Staat niet redelijk verantwoord is. Artikel 322, § 4 van het WIB 1992 bepaalt immers dat de vraag van de buitenlanse Staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing van belastingontduiking. De kennisgeving aan de belastingplichtige vormt derhalve een belangrijke waarborg tegen de inmenging in zijn privéleven? (M.v.t. bij fiscale vereenvoudigingswet, p. 19).

De fiscale vereenvoudigingswet heeft artikel 333/1 van het WIB 1992 nu afgestemd op het arrest van het Grondwettelijk Hof. Ze stelt dat er enkel in de twee volgende gevallen geen (gelijktijdige) kennisgeving aan de belastingplichtige moet gebeuren als de vraag om het bankgeheim te doorbreken uitgaat van een buitenlandse Staat:

als de buitenlandse Staat uitdrukkelijk vraagt om de belastingplichtige niet in kennis te stellen omdat de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. In dit geval moet de kennisgeving gebeuren bij een aangetekende brief niet later dan 90 dagen na het verzenden van de vraag om inlichtingen, en niet eerder dan 60 dagen na het verzenden van de inlichtingen aan de buitenlandse Staat (vervanging 3de lid, § 1, art. 333/1, WIB 1992; art. 27, fiscale vereenvoudigingswet);

als de buitenlandse Staat aantoont zelf reeds een kennisgeving aan de belastingplichtige te hebben verstuurd (nieuw 4de lid, § 1, art. 333/1, WIB 1992; art. 27, fiscale vereenvoudigingswet).

In werking

Deze maatregel treedt in werking op 10 januari 2014.

Bron: Wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen, BS 31 december 2013 (fiscale vereenvoudigingswet) - art. 27

Zie ook:
- Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB 1992) - art. 322, art. 333/1 en art. 341
- Grondwettelijk Hof. Arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013.
- Wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen, BS 10 november 2011 - art. 3 tot en met 9 en art. 11.