Grondwettelijk Hof vernietigt fiscaal gunsttarief voor spaarboekjes

Het Grondwettelijk Hof vernietigt het gunsttarief van 15% roerende voorheffing (RV) op inkomsten uit spaardeposito's bij Belgische financiële instellingen. Daardoor zullen spaarders die in 2014 meer dan 1.900 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2015) interesten krijgen op hun spaarboekje, op deze interesten 25% in plaats van 15% RV moeten betalen. De vrijstelling onder deze belastingvrije drempel blijft wel behouden.

Het arrest heeft ook gevolgen voor spaarders die in 2012 en 2013 boven de belastingvrije drempel uitkwamen (1.830 euro voor aj. 2013; 1.880 euro voor aj. 2014). Ook die intresten zouden onder het hogere RV-tarief vallen.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof vernietigt via zijn arrest nr. 7/2014 van 23 januari 2014 gunsttarief van 15% roerende voorheffing op inkomsten uit spaardepostito's bij Belgische financiële instellingen, zoals het voortvloeide uit artikel 171, 3°quinquies, uit artikel 174/1, § 1, 4de lid en uit artikel 269, 1ste lid, 5° van het WIB 1992, gewijzigd door de wet van 28 december 2011 en, wat artikel 269, 1ste lid, 5° betreft, ook nog door de wet van 13 december 2012.

Fiscaal gunsttarief spaarboekjes

Artikel 171, 3°quinquies en artikel 269, 1ste lid, 5° van het WIB 1992 onderwerpen het niet-vrijgestelde deel van de interesten uit spaarboekjes bij de Belgische financiële instellingen vanaf 1 januari 2012 aan 15% RV, terwijl het RV-tarief voor de meeste andere dividenden en interesten werd opgetrokken tot 21%.

Bijkomende heffing

Bovenop de algemene tariefverhoging was er in 2012 een 'bijkomende heffing op roerende inkomsten' van 4% (rijkentaks) van kracht. Deze bijkomende heffing werd toegepast op het bedrag aan interesten en dividenden boven de 20.020 euro netto (geïndexeerd bedrag aj. 2013; nettobasisbedrag: 13.675 euro) ('oud' art. 174/1, WIB 1992).

De bijkomende heffing gold alleen voor interesten en dividenden waarvoor het nieuwe RV-tarief van 21% gold. En dus niet voor interesten en dividenden die onderworpen zijn aan het tarief van 10% of 25 %, en ook niet voor de niet-vrijgestelde inkomsten uit spaarboekjes of voor de laag belaste staatsbons.

Om te beoordelen of de grens van 20.020 euro netto was overschreden, werden eerst de dividenden en interesten berekend waarop de heffing niet van toepassing is. Liquidatieboni werden niet meegerekend. Ook de laag belaste staatsbons, het vrijgestelde gedeelte van inkomsten uit spaarboekjes en de andere inkomsten die volgens artikel 21 van het WIB 1992 geen roerende inkomsten zijn, telden niet mee.
De interesten op de spaarboekjes boven de grens van 1.830 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2013) werden dus wel in aanmerking genomen om te bepalen of het bedrag waarboven de bijkomende heffing verschuldigd was, was bereikt.

De bijkomende heffing zelf werd, net als de RV, geacht deel uit te maken van de roerende inkomsten.

Vernietiging

In zijn arrest van 6 juni 2013 (zaak C-383/10), op vordering van de Europese Commissie tegen België, had het Hof van Justitie al geoordeeld dat België, door de invoering en instandhouding van een regeling waarbij door niet in België gevestigde banken betaalde interesten discriminatoir worden belast als gevolg van de toepassing van een belastingvrijstelling die uitsluitend geldt voor interesten die zijn betaald door in België gevestigde banken, de vrijheid van dienstverrichting binnen de Europese Unie had beperkt zonder dat daarvoor enige rechtvaardiging bestond.

Op basis van dit arrest van het Europees Hof van Justitie besluit het Grondwettelijk Hof dat ?door een gunstig belastingtarief uitsluitend voor te behouden aan de door de ingezeten banken betaalde interesten, de bestreden bepalingen een discriminerende belasting invoeren op de door de niet-ingezeten banken betaalde interesten??.

Om die redenen vernietigt het Hof:

artikel 171, 3°quinquies van het WIB 1992, ingevoegd bij artikel 27, 6° van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen;

de woorden ?en de in artikel 171, 3°quinquies, bedoelde inkomsten uit spaardeposito?s? in artikel 174/1 van het WIB 1992, ingevoegd bij artikel 28 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen;

artikel 269, 1ste lid, 5° van het WIB 1992, gewijzigd bij: artikel 29, 6° van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, en artikel 53, 2° van de wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen.

Bron: Grondwettelijk Hof. Arrest nr. 7/2014 van 23 januari 2014 inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 174/1 en 313 van het WIB 1992, zoals gewijzigd bij de artikelen 28 en 33 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, en, bijkomstig, van de artikelen 25 tot 38 van dezelfde wet.

Zie ook:
- Europees Hof van Justitie. Arrest van 6 juni 2013 (zaak C-383/10) - ?Niet-nakoming - Artikelen 56 VWEU en 63 VWEU - Artikelen 36 en 40 EER-Overeenkomst - Belastingwetgeving - Belastingvrijstelling die uitsluitend geldt voor door ingezeten banken betaalde interesten, met uitzondering van interesten betaald door in buitenland gevestigde banken?.
- Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen, BS 20 december 2012 - art. 53, 2°
- Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, BS 30 december 2011 - art. 25 ? 38