Langstlevende partner betaalt ook in Brussel geen successierechten meer op de gezinswoning

Vanaf 1 januari 2014 geldt er in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een vrijstelling van successierechten op de gezinswoning voor de langstlevende partner. De vrijstelling geldt zowel voor gehuwden als voor wettelijk samenwonenden. Deze maatregel moet voorkomen dat Brusselaars die hun partner verliezen, de gezinswoning moeten verkopen om de successierechten te kunnen betalen.

In Vlaanderen betaalt de langstlevende echtgenoot of samenwonende al sinds 2007 geen successierechten meer op de gezinswoning (Vl. Decreet van 7 juli 2006).

Ook voor samenwonenden

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt vanaf 1 januari 2014 van het recht van successie en van overgang bij overlijden vrijgesteld, het netto-aandeel van de rechtverkrijgende echtgenoot of samenwonende in de woning die de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tot gezinswoning diende op het ogenblik van het overlijden (nieuw art. 55bis, Br.W.Succ., ingevoegd bij art. 3, ordonnantie van 30 januari 2014).

De vrijstelling geldt zowel voor gehuwden als voor wettelijk samenwonenden.
Maar de vrijstelling geldt niet als diegene die een aandeel in de gezinswoning verkrijgt, een bloedverwant in de rechte lijn is van de erflater, of een verkrijger is die daarmee wordt gelijkgesteld, of een broer of zus, een neef of nicht, of een oom of tante van de erflater is die ook aan de omschrijving van 'samenwonende' zou beantwoorden. De vrijstelling geldt dus alleen voor de langstlevende partner.

Alleen voor gezinswoning

De vrijstelling geldt alleen voor de gezinswoning, dus niet voor een eventueel tweede verblijf. De gezinswoning wordt gedefinieerd als de hoofdverblijfplaats waar de partners op het ogenblik van het overlijden samenleefden.

Als feitelijke scheiding (van gehuwden) of overmacht beletten dat er samengewoond werd op het ogenblik van het overlijden, dan wordt er gekeken naar de woning waar het laatst samengewoond werd. Als feitelijke samenwoners niet meer samenwonen bij het overlijden, en er is geen sprake van overmacht, dan verliezen ze uiteraard hun statuut van samenwoners en komen ze niet in aanmerking voor de vrijstelling, zodat de vraag welke de gezinswoning is, niet meer relevant is. Eén uitzondering: als één van beide of beide betrokkenen naar een rust- of verzorgingsinstelling gaan of intrekken in een serviceflat, dan kunnen ze nog altijd als samenwonend worden beschouwd, en wordt de woning die ze ondertussen hebben verlaten, nog wél in aanmerking genomen voor de vrijstelling.

Enkel het netto-aandeel dat de langstlevende echtgenoot of samenwonende in de gezinswoning verkrijgt, is vrijgesteld van successierechten. Onder netto-aandeel verstaat men de waarde van het aandeel dat de langstlevende verkrijgt in de woning, verminderd met de schulden van de nalatenschap die op dat aandeel in de woning moeten worden aangerekend. De schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, moeten immers eerst worden afgetrokken van de waarde van de gezinswoning.

Erfgenamen of begiftigden die vals passief in de aangifte van nalatenschap opnemen of die de verplichting om het specifieke karakter van de schulden die betrekking hebben op de gezinswoning niet uitdrukkelijk vermelden in aangifte, riskeren een administratieve boete (wijziging art. 42, VIII en art. 128, Br.W.Succ.; art. 1 en art. 5, ordonnantie van 30 januari 2014).

In werking

De ordonnantie van 30 januari 2014 treedt in werking op 1 januari 2014. Ze is van toepassing op de nalatenschappen die vanaf die dag openvallen.

Bron: Ordonnantie van 30 januari 2014 tot wijziging van het Wetboek der successierechten, BS 6 maart 2014.

Zie ook:
Decreet van 7 juli 2006 houdende vrijstelling van successierechten ten voordele van de langstlevende partner voor de nettowaarde van de gezinswoning, BS 20 september 2006. (Vlaams Gewest)