Structurele lastenverlaging voor werkgevers wordt opnieuw versterkt

Het forfait dat men gebruikt bij de berekening van de structurele vermindering van de werkgeversbijdragen wordt retroactief opgetrokken tot 462,60 euro. Het gaat om een versterking van de bijdragevermindering voor 'werknemers van categorie 1'. Dat is de ruime restcategorie.

Categorie 1

Een KB van 12 juni 2013 heeft het forfait voor de structurele lastenvermindering sinds 1 januari 2014 opgetrokken van 452,50 tot 455 euro per kwartaal en per voltijdse werknemer. Dat bedrag wordt nu retroactief verhoogd tot 462,60 euro. Met ingang van 1 januari 2014 dus.

Let wel, de versterking van de lastenverlaging concentreert zich opnieuw op de werknemers die behoren tot categorie 1 van de structurele vermindering. Bij de bijdragevermindering hanteert men namelijk verschillende categorieën, en de eerste is de ruimste - de restcategorie:

Categorie 1 is de restcategorie met werknemers die niet tot een van de twee volgende categorieën behoren.

Categorie 2 groepeert werknemers die werken voor werkgevers die onder de sociale maribel vallen. Met uitzondering van de werknemers die onder het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp vallen, en werknemers in erkende beschutte werkplaatsen.

Categorie 3 groepeert werknemers die tewerkgesteld zijn door een werkgever die behoort tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen.

Berekening

De driemaandelijkse structurele bijdragevermindering wordt voor elke werknemer afzonderlijk en per tewerkstelling berekend. Ze bestaat uit een forfaitair verminderingsbedrag dat vermenigvuldigd wordt met een vaste vermenigvuldigingsfactor en met de prestatiebreuk van de betrokken werknemer.

Men bepaalt achtereenvolgens de categorie waartoe de werknemer behoort, zijn driemaandelijkse referteloon, het basisbedrag van de vermindering op basis van dit referteloon, en het definitieve bedrag van de vermindering.

Aan het vast basisforfait per kwartaal (F: 462,60 of 0 of 471 euro, voor werknemers respectievelijk in categorie 1, 2 of 3, volledige kwartaalprestaties) wordt een lagelonencomponent of een hogelonencomponent toegevoegd:

Een lagelonencomponent als het refertekwartaalloon (S) lager is dan de lageloongrens (S0).

Een hogelonencomponent als het loon (W) hoger is dan de hogeloongrens (S1).

In een formule geeft dit: R (forfaitair verminderingsbedrag) = F + ? x (S0 ? S) + ? x (W ? S1). Alfa en delta zijn de hellingscoëfficiënten.

De loongrenzen blijven ongewijzigd. Concreet:

R1 = 462,60 + 0,1620 x (5.560,49 ? S) + 0,0600 x (W ? 13.401,07) (algemene categorie);

R2 = 0,00 + 0,2557 x (6.150,00 ? S) + 0,0600 x (W ? 12.484,80); (categorie sociale maribel)

R3 = 471,00 + 0,1785 x (7.225,00? S) + 0,0600 x (W ? 12.484,80). (categorie erkende beschutte werkplaats)

Bron: Koninklijk besluit van 14 maart 2014 tot uitvoering van artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002, BS 2 april 2014

Zie ook:
? Programmawet (I) van 24 december 2002? BS 31 december 2002 (art. 331 van PW)
? Koninklijk besluit van 12 juni 2013 tot uitvoering van artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002 en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, BS 27 juni 2013