Rechtsplegingvergoeding bij Raad van State minstens 140 euro

Wie gelijk krijgt van de Raad van State kan een rechtsplegingvergoeding krijgen. Het basisbedrag ligt vast op 700 euro maar de Raad kan in functie van een aantal factoren kiezen voor een lager of hoger bedrag. Het minimumbedrag is 140 euro, het maximumbedrag 1.400 euro. Voor geschillen over overheidsopdrachten is het maximum 2.800 euro.

Rechtsplegingvergoeding

De Raad van State kan een rechtsplegingvergoeding toekennen aan de in het gelijk gestelde partij. Ongeacht of dat de verzoeker of de verwerende overheid is. De rechtsplegingvergoeding is een forfaitair bedrag voor de kosten en de honoraria van de advocaat.

Alle procedures

De rechtsplegingvergoeding is van toepassing op alle procedures die voor de Raad van State worden gebracht. Zowel geschillen over de schadevergoeding voor buitengewone schade, geschillen in volle rechtsmacht, geschillen inzake nietigverklaring als geschillen van administratieve cassatie.

Bedragen

Het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding is 700 euro.

De Raad van State kan afwijken van het basisbedrag. Maar hij mag niet lager gaan dan 140 euro of niet hoger dan 1.400 euro. Bij zijn beoordeling houdt de Raad rekening met volgende factoren

de financiële draagkracht van de verliezende partij;

de complexiteit van de zaak; en

de kennelijk onredelijke aard van de situatie.

Let op. Met de financiële draagkracht van de verwerende partij mag enkel rekening gehouden worden om het basisbedrag te verlagen.

Overheidsopdachten

Als het geschil gaat over overheidsopdrachten of opdrachten voor werken, leveringen en diensten gelden in principe dezelfde bedragen. Eén uitzondering evenwel: het maximumbedrag is niet 1.400 euro, maar het dubbele: 2.800 euro.

Reden hiervoor is dat dergelijke geschillen meestal gekenmerkt worden door heel technische regels. En ook de grootte van de bedragen die in het geschil betrokken zijn, speelt een rol.

Verhoging met 20 procent

Het basis-, minimum- of maximumbedrag verhoogt in twee gevallen. Met 20 procent. Dit als

het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen; of

de vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingediend én gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring.

Die situaties veroorzaken meer werklast, wat de verhoging verantwoordt.

De bedragen van de verhogingen worden gecumuleerd. Maar er is een grens: de verhoogde vergoeding mag nooit meer dan 140% van het basis-, minimum- of maximumbedrag bedragen.

Er zijn uitzonderingen op die verhoging. Ze wordt niet toegepast als de Raad van State beslist dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vraagt. In dat geval wordt de vordering tot schorsing immers niet onderzocht.
Ook als het schorsingsarrest niet gevolgd wordt door een verzoek tot voortzetting van de procedure vindt er geen verhoging plaats.
De in de regelgeving opgenomen lijst is niet limitatief. Er zijn dus nog andere gevallen mogelijk waarbij de verhoging niet wordt toegepast.

Juridische tweedelijnsbijstand

Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, is de rechtsplegingvergoeding steeds gelijk aan het minimale bedrag van 140 euro. Verhoging of verlaging kan enkel bij een kennelijk onredelijke situatie.

Koppeling aan index

Het basis-, minimum- en maximumbedrag wordt gekoppeld aan de index. De bedragen verhogen of verlagen met tien procent als de index zelf verhoogd of verlaagd is met eenzelfde aantal punten.

De nieuwe bedragen zijn van toepassing op de eerste dag van de maand die volgt op de overschrijding met 10 procent.

Aanvraag rechtsplegingvergoeding

De rechtsplegingsvergoeding kan aangevraagd worden met elk processtuk of elke nota tot vereffening van de kosten, ingediend met tussenkomst van een advocaat. Het bedrag kan nog gewijzigd worden - op dezelfde manier - tot ten laatste twee dagen voor het verhoor.

Bij een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan de rechtsplegingvergoeding gevraagd worden tot aan de sluiting van de debatten.

Inwerkingtreding

Het nieuwe KB treedt in werking op 2 april 2014.

Het is van toepassing op elke vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen in het kader van uiterst dringende noodzakelijkheid die sindsdien is ingediend en die geen bijkomende vordering vormt bij een voor 2 april 2014 ingediend beroep tot nietigverklaring.
Het is van toepassing op elke aanvraag, moeilijkheid en beroep ingediend vanaf 2 april 2014 en op de gelijktijdig dan wel later ingediende bijkomende vorderingen.

Bron: Koninklijk besluit van 28 maart 2014 betreffende de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, BS 2 april 2014.

Zie ook:
RvS-wet, art. 30/1
Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State