Federale wetgever stemt WIB 1992 af op nieuwe woonfiscaliteit

Een wet van 8 mei 2014 wijzigt het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor de toepassing van de gewestelijke belastingregels in verband met de belasting van niet-inwoners vanaf het aanslagjaar 2014 en de heffing van de 'gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting' vanaf het aanslagjaar 2015.

De federale wetgever past de inkomstenbelasting zo aan dat bij de bevoegdheidsoverdracht, op 1 juli 2014, de gewesten de fiscale wetgeving kunnen overnemen voor de hen toegekende bevoegdheden, zonder dat ze nog verplicht zijn om zelf wetgevend op te treden.

Ruimere fiscale autonomie voor gewesten

In het kader van de zesde staatshervorming werd de fiscale autonomie van de gewesten verruimd door de invoering van een stelsel van uitgebreide gewestelijke opcentiemen op de federale personenbelasting. Deze verruiming is vastgelegd in titel III/1 van de bijzondere financieringswet. Ook een aantal fiscale uitgaven wordt overgedragen naar de gewesten, die de exclusieve bevoegdheid krijgen om in die domeinen belastingvoordelen te verlenen.

Woonfiscaliteit na zesde staatshervorming

De gewesten worden onder meer bevoegd voor de fiscale behandeling van uitgaven voor het verwerven of behouden van de 'eigen woning' vanaf het aanslagjaar 2015. De fiscaliteit met betrekking tot de tweede en volgende woningen blijft exclusief een federale bevoegdheid.
Tot nog toe hebben de gewesten hun nieuwe bevoegdheden nog niet ingevuld. De federale regeling blijft dus van toepassing.
In afwachting van gewestelijke regelingen past de federale wetgever via de wet van 8 mei 2014 onder meer de bestaande regels over de 'eigen woning' aan die in het WIB 1992 staan, zodat de principes van titel III/1 van de bijzondere financieringswet correct kunnen toegepast worden.
De wet van 8 mei 2014 zet onder meer de 'aftrek eigen woning' om in een belastingvermindering.

Aanpassing WIB 1992

De federale wetgever past het WIB 1992 aan op volgende punten:

in het WIB 1992 worden de nog resterende voordelen die worden verleend als een aftrek van het totale netto-inkomen, met uitzondering van de betaalde onderhoudsuitkeringen, omgezet. De wet van 13 december 2012 vormde de meeste aftrekken al om tot belastingverminderingen. Nu zet de wet van 8 mei 2014 de nog resterende aftrekken om, namelijk de aftrek voor de enige en eigen woning (zgn. woonbonus) en de bijkomende interestaftrek.

interesten op leningen die zijn aangegaan voor de eigen woning kunnen niet meer in mindering worden gebracht van de andere onroerende inkomsten. De voordelen in verband met deze leningen worden immers de exclusieve bevoegdheid van de gewesten, terwijl de gewesten zelf geen bevoegdheid hebben om in te grijpen op de belastbare basis. Omdat het schrappen van die aftrek nadelig kan zijn voor belastingplichtigen die eerder al zo?n lening afsloten, wordt in die gevallen de aftrek omgezet in een belastingvermindering. Een zelfde oplossing is er wanneer een erfpacht- of opstalvergoeding op de eigen woning in mindering wordt gebracht van de andere onroerende inkomsten. Dezelfde werkwijze wordt ook gehanteerd voor de nog bestaande verrekening van de onroerende voorheffing (12,5%) voor de eigen woning. Om dat voordeel binnen het bevoegdheidsdomein van de gewesten te brengen, is de verrekenbaarheid omgevormd tot een belastingvermindering van 12,5%. In het WIB 1992 wordt voortaan een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de fiscale voordelen voor de eigen woning en deze voor andere woningen. De eerste worden vanaf 1 juli 2014 immers de exclusieve bevoegdheid van de gewesten. Daarom zijn alle voordelen verbonden aan de eigen woning in een aparte onderafdeling bijeengebracht, zowel de nog vigerende systemen (woonbonus en langetermijnsparen) als de uitdovende (bouwsparen en bijkomende interesten). In deze nieuwe onderafdeling ?Belastingverminderingen voor de eigen woning? staan al de verschillende belastingvoordelen die momenteel op de eigen woning kunnen worden toegepast. De aftrek woonbonus en de bijkomende interestaftrek zijn wel omgezet in een belastingvermindering tegen het marginale tarief. Momenteel zijn de verhoogde belastingvoordelen van woonbonus en bouwsparen voor woningen ook mogelijk voor woningen die niet de eigen woning zijn. Na de inwerkingtreding van de fiscale autonomie, zullen die voordelen nog altijd federaal kunnen worden toegepast, maar ze worden wel uitdovend gemaakt.

gewestelijke maatregelen mogen niet rechtstreeks inwerken op de federale personenbelasting. Dit is belangrijk als de belasting zelf een parameter is, zoals bv. bij de vaststelling van de federale afzonderlijke tarieven waartegen onder meer opzegvergoedingen, achterstallen, vorige winsten en baten worden belast. Voortaan wordt uitgegaan van de ?belasting Staat? verminderd met de federale belastingverminderingen om dat tarief te berekenen. De gewestelijke opcentiemen en belastingverminderingen hebben daar geen invloed op. Ook de regels om te beoordelen of de toepassing van het huwelijksquotiënt en van de afzonderlijke belastingheffing voordeliger is dan de niet-toepassing ervan, worden aangepast.

de invoering van de fiscale autonomie moet neutraal zijn voor de belastingplichtigen. Er werd nog een aantal bijkomende maatregelen genomen die een dreigend negatief resultaat voor de belastingplichtigen corrigeert. Zo wordt voor de reeds lopende leningen een belastingkrediet ingesteld wanneer de omzetting van de aftrek voor de enige woning naar een belastingvermindering voor de enige woning in een gezin als gevolg zou hebben dat de overheveling van een deel van de belastingvrije som verloren gaat.

De nieuwe belastingvermindering die in de plaats komt van de gewone interestaftrek voor de eigen woning, en het nieuwe belastingkrediet, zoals hierboven beschreven, gelden enkel om de negatieve gevolgen op te vangen voor de 'bestaande' contracten. De gewesten moeten voor de leningen afgesloten vanaf 1 januari 2015 voorzien in een systeem dat beantwoordt aan de progressiviteitsregels zoals bepaald in de bijzondere financieringswet.

Belasting van niet-inwoners

Ook na de herziening van de bijzondere financieringswet blijft de belasting van niet-inwoners een exclusief federale bevoegdheid. Maar vanaf het aanslagjaar 2014 wordt voor sommige niet-inwoners/natuurlijke personen wel rekening gehouden met bepaalde gewestelijke gunstregelingen inzake personenbelasting.

Om te bepalen met welke gewestelijke belastingregels rekening moet worden gehouden, legt de wet van 8 mei 2014 de criteria vast waar de belasting van de niet-inwoners wordt gelokaliseerd.

De federale wetgever past de belasting van niet-inwoners nog op een aantal punten aan. Als gevolg van de bevoegdheidsverdeling moet de federale overheid dezelfde gewestelijke regels toepassen bij de niet-inwoners uit de EER, die zich kunnen beroepen op de EU-principes van het vrije verkeer, en bij de inwoners van partnerstaten waarmee een dubbelbelastingverdrag is gesloten dat voorziet in een non-discriminatiebepaling. Omgekeerd kan de federale overheid, omwille van de bevoegdheidsverdeling, ook niet langer voordelen voorzien die tot de exclusieve bevoegdheid behoren van de gewesten, zoals voordelen voor de eigen woning.

De wet van 8 mei 2014 heft in de BNI-regeling de 'gelijkstelling van de niet-inwoners met tehuis, met de niet-inwoners die minstens 75% van hun beroepsinkomsten in België behalen' op. De beschikking over een tehuis is niet verzoenbaar met de lokalisatiecriteria die vastgelegd zijn op basis van de verwerving van het inkomen, aangezien het niet is uitgesloten dat beiden zich in een verschillend gewest bevinden. De inwoners van buiten de EER met tehuis in België eventueel uitsluiten van de gewone belastingregels en -voordelen, zou voor die belastingplichtigen een zware belastingverhoging kunnen betekenen. Daarom worden ook zij toegelaten tot de gewone belastingregels en federale belastingverminderingen. Dit op voorwaarde dat ze ook minstens 75% van hun beroepsinkomsten in België behalen

In werking

De wet van 8 mei 2014 bevat verschillende inwerkingtredingsdata.

Bron: Wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevolge de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting als bedoeld in titel III/1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, tot wijziging van de regels op het stuk van de belasting van niet-inwoners en tot wijziging van de wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, BS 28 mei 2014.

Zie ook:
Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen, BS 20 december 2012.