Rem op dringende procedure bij Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijft kampen met werkoverlast. Niet alleen het aantal gewone beroepen stijgt, ook het aantal vorderingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid neemt toe. De wetgever wil de procedure voor dringende dossiers daarom beter omkaderen.

In de eerste plaats door in de Vreemdelingenwet uitdrukkelijk beroepstermijnen te voorzien voor dringende vorderingen. Tot nog toe werd hieraan invulling gegeven aan de hand van de jurisprudentie van de Raad. Algemeen geldt nu dat vorderingen bij uiterste dringende noodzakelijkheid bij verzoekschrift moeten worden ingediend binnen 10 dagen na kennisgeving van de beslissing waartegen ze gericht is. Vanaf een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel wordt die termijn teruggebracht tot 5 dagen.

Nieuw is ook dat een uiterst dringend beroep alleen nog ontvankelijk zal zijn wanneer het nuttig is om een effectieve rechtsbescherming te waarborgen. Met andere woorden wanneer de vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel die op elk moment kan worden uitgevoerd, in het bijzonder omdat hij vastgehouden wordt in een gesloten centrum, verblijft in een terugkeerwoning of voor repatriëring ter beschikking is gesteld van de regering.

De vreemdelingenwet stelt daarbij ook dat de rechter bij voorrang uitspraak zal doen over de ontvankelijkheid van de vordering - en dit zo nodig zonder de partijen op te roepen - wanneer het

een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel betreft;

de vordering manifest laattijdig is;

minder dan 12 uur voor de geplande uitvoering van de maatregel werd ingediend; en

de verzoeker (en zijn advocaat) minstens 48uur voor de geplande uitvoering van de maatregel werden ingelicht.

De schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Voortaan is die laatste voorwaarde onder andere vervuld indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is.

Tot slot worden ook maatregelen genomen om meer eenheid te creëren in de rechtspraak bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de Raad van State. Op die manier kunnen rechtzoekenden ervan uitgaan dat verzoekschriften op gelijke manier worden behandeld, ongeacht de kamer of de rechter die het voor zich krijgt. In dit kader wordt bij de RVV het niveau van de verenigde kamers ingevoerd.

Met de wet van 10 april 2014 schikt ons land zich deels naar de bepalingen uit richtlijn 2013/32 met de gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming om in nationaal recht.

Heel wat artikels zijn in werking getreden op 31 mei 2014, 10 dagen na publicatie in het Staatsblad. Maar er zijn tal van overgangsbepalingen.

Bron: Wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State, BS 21 mei 2014.

Zie ook
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State, Parl. St. Kamer 2014, nr. 53K3445/001.