Aanpassing patronale socialezekerheidsbijdragen als gevolg van de 6e staatshervorming (art. 48 - 63 DB sociale zekerheid)

De wet houdende diverse bepalingen inzake sociale zekerheid past de patronale socialezekerheidsbijdragen aan ingevolge de regionalisering van de kinderbijslag. De RSZ heeft niet langer meer de inning van de bijdragen voor kinderbijslag tot taak en vanaf 2015 komt er een geglobaliseerd percentage voor de socialezekerheidsbijdragen.

Regionalisering kinderbijslag

Sinds 1 juli 2014 is de gezinsbijslag een regionale bevoegdheid. De overheveling van de kinderbijslagregeling naar de gemeenschappen heeft zijn impact op de hele socialezekerheidswetgeving.

Een hele reeks wetten en besluiten werd ondertussen al in overeenstemming gebracht met deze nieuwe situatie.

Nu wordt ook de inning zelf door de RSZ van de bijdragen voor kinderbijslag opgeheven en verdwijnen de gezinsbijslagen uit de opsomming van de takken en de regelingen binnen het beheer van het Globaal Beheer van de sociale zekerheid.

De kinderbijslag blijft wel deel uitmaken van de sociale zekerheid voor werknemers.

Geglobaliseerd percentage

Met de overheveling van de kinderbijslagregeling naar de gemeenschappen en het schrappen van de inning van de bijdragen door de RSZ, worden ook de bijdragepercentages herzien.

De overdracht vormt de aanleiding tot een vereenvoudiging die ingaat op 1 januari 2015. Van dan af geldt een globale werkgeversbasisbijdrage voor alle takken van de sociale zekerheid. Deze vervangt de vroegere individuele percentages die gehanteerd werden per tak van de sociale zekerheid.

De globale werkgeversbasisbijdrage verschilt voor de privé- en de openbare sector. Bovendien maakt men voor de openbare sector een onderscheid tussen het contractueel en het statutair personeel.

De basiswerkgeversbijdrage voor werkgevers uit de privésector bedraagt 24,94%. Dit percentage is het resultaat van de som van de huidige afzonderlijke bijdragepercentages maar zonder:

0,05% - bijdrage voor het Fonds voor collectieve uitrusting en diensten;

0,05% - bijdrage voor betaald educatief verlof;

0,05% - bijdrage voor de actieve begeleiding van werklozen.

Deze bijzondere bijdragen verdwijnen dan ook omdat ze opgenomen zijn in de geglobaliseerde bijdragen.

De basiswerkgeversbijdrage voor werkgevers uit de openbare sector bedraagt:

24,82% voor contractuele werknemers;

17,82% voor statutaire werknemers.

Ook dit basispercentage is het resultaat van de som van de huidige afzonderlijke bijdragepercentages, maar dan vermeerderd met 0,05% - de bijdrage voor het Fonds voor collectieve uitrusting en diensten.

Voor de statutairen geldt bovendien nog een bijkomende bijzondere bijdrage van 1,40% wat overeenstemt met hun gewone bijdrage voor kinderbijslag. Om te vermijden dat de loonmatigingsbijdrage speelt wordt dit percentage apart geheven en dus buiten het globaal percentage van 17,84% gehouden.

Sommige werkgevers betalen zelf kinderbijslag (rechtstreeks of via de Rijksdienst voor Kinderbijslag) en zijn gehouden tot een speciale bijdrage voorzien door artikel 77 van de kinderbijslagwetgeving. Deze bijdrage verdwijnt op 1 januari 2015. In plaats daarvan zullen deze werkgevers ook de bijkomende bijdrage van 1,40% betalen.

Het basisbijdragepercentage van 17,84% zal ook van toepassing zijn op de leerlingen jonger dan 19 jaar. Het gaat onder andere om volgende leerlingen:

erkende middenstandsleerlingen;

industriële leerlingen;

leerlingen met een inschakelingsovereenkomst;

stagiairs in opleiding tot opleidingshoofd;

personen met een beroepsinlevingsovereenkomst.

Voor hen geldt momenteel een beperkte bijdrageplicht, tot 31 december van het kalenderjaar waarin de jongere 18 wordt. Vanaf 1 januari van het kalenderjaar waarin de jongere 19 wordt, geldt een volledige bijdrageplicht.

Vandaar dat voor deze categorie niet zomaar de algemene basiswerkgeversbijdrage kan toegepast worden, vermits die tot een te hoge bijdragestijging zou leiden.

De basiswerkgeversbijdrage voor werkgevers uit de lokale besturen bedraagt 23,07%.

Deze besturen zijn onderworpen aan de RSZPPO en betalen voor hun personeel een werkgeversbijdrage van 5,25% bestemd voor de regeling van de kinderbijslag, die berekend wordt op het loon, en die eveneens in aanmerking komt als berekeningsbasis voor de loonmatiging.

Die bijdrage voor kinderbijslag wordt nu geschrapt omdat die voortaan vervat ligt in de nieuwe basiswerkgeversbijdragen.

De bepaling waarbij bepaald wordt dat de opbrengst van de loonmatigingsbijdrage voor de gesubsidieerde contractuelen die verschuldigd is aan de RSZPPO door de aangesloten besturen, bestemd is voor de financiering van de gezinsbijslag die moet worden betaald door de RSZPPO, wordt ook geschrapt.

Voor werknemers die slechts beperkt bijdrageplichtig zijn wordt de werkgeversbijdrage berekend door voor elke niet toepasselijke regeling een overeenkomstige bijdragevoet in mindering te brengen:

Pensioenen : 8,86%

ZIV-uitkeringen: 2,35%

Werkloosheid: 1,46%

Gezondheidszorg: 3,80%

Beroepsziekten: 1,00%

Arbeidsongevallen: 0,30%

De invoering van deze basiswerkgeversbijdragen heeft tenslotte voor gevolg dat een aantal bepalingen in de basiswet socialezekerheid (wet van 29 juni 1981) en andere wetten ook aangepast moeten worden zoals de berekeningsbasis sociale bijdragen (art. 23); de vrijstelling voor de baggersector (art. 37ter); de beperkingen in de bijdrageplicht (art. 37quater); en de bijdragenvrijstelling voor wetenschappelijk onderzoek.

In werking

Zoals aangegeven, treedt dit onderdeel van de verzamelwet van 25 april 2014 in werking op 1 januari 2015.

Bron: Wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake sociale zekerheid, BS 6 juni 2014 (art. 48 ? 63 DB sociale zekerheid)