Kortere termijnen voor toekenning van een omgevingsvergunning

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) legt een vergunningsplicht op bij het uitvoeren van bepaalde stedenbouwkundige handelingen en bij het verkavelen van gronden. Voor andere stedenbouwkundige werken volstaat een meldingsplicht.
Het Decreet op het algemeen milieubeleid (DABM) legt een vergunningsplicht op bij exploitatie van een inrichting of activiteit die ingedeeld is in klasse 1 of 2. Voor klasse 3-inrichtingen volstaat een meldingsplicht (nieuw art. 5.2.1 DABM).
Aan die verplichtingen zelf wijzigt niets fundamenteels. De stedenbouwkundige vergunnings- en meldingsplicht blijven ingeschreven staan in de VCRO; de milieuvergunnings- en -meldingsplicht blijven ingeschreven staan in de DABM. Maar de wijze van vergunning en melding vinden we voortaan terug in het nieuwe Omgevingsvergunningsdecreet.

Meldingsakte

De exploitant verricht in de toekomst één gezamenlijke melding. Zowel voor de meldingsplichtige stedenbouwkundige handelingen, als voor de meldingsplichtige exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten waaruit zijn project bestaat.

De melding wordt gericht aan het college van burgemeester en schepen of aan de gemeentelijke omgevingsambtenaar.
De Vlaamse regering zal nog een model van meldingsakte publiceren.

Elke gemeente moet minstens één gemeentelijke omgevingsambtenaar aanwijzen onder haar eigen personeel, onder het personeel van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, of onder het personeel van een intercommunale. De gemeente moet ervoor zorgen dat de betrokkene of betrokkenen voldoende kennis van zowel ruimtelijke ordening, als milieu in zich verenigen.
De omgevingsambtenaar moet altijd onafhankelijk en neutraal zijn.
Als er geen omgevingsambtenaar werd aangewezen door de gemeenteraad, oefent de gemeentesecretaris de taken van de omgevingsambtenaar uit of wijst hij een persoon aan tot waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar.

De melding wordt per beveiligde zending overgemaakt. Dat is:

met een aangetekend schrijven;

door afgifte tegen ontvangstbewijs; of

door middel van elke andere (lees: elektronische) betekeningswijze die nog door de Vlaamse regering zal worden aanvaard en waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.

Het college of de omgevingsambtenaar gaat na of de gemelde handelingen of exploitatie wel meldingsplichtig zijn enerzijds, en of ze niet verboden zijn, anderzijds. Als alles correct verlopen is, neemt de bevoegde overheid akte van de melding en bezorgt ze de meldingsplichtige binnen de 30 dagen een meldingsakte. De termijn van 30 dagen begint te lopen vanaf de datum van ontvangst van de melding.

Het project mag worden uitgevoerd of geëxploiteerd vanaf de dag na de datum van betekening van de meldingsakte.

De exploitant van een ingedeelde inrichting of een activiteit die meldingsplichtig is geworden door een aanvulling of wijziging van de indelingslijst, verricht de melding binnen een termijn van 6 maanden na de inwerkingtreding van de aanvulling of wijziging van de indelingslijst. Hij mag intussen de exploitatie voortzetten.

De lokale overheid mag in de meldingsakte bijzondere milieuvoorwaarden opleggen en mag ook nog gedurende de exploitatie bijzondere milieuvoorwaarden opleggen. De bijzondere voorwaarden mogen de melding echter nooit onevenredig beperken of verbieden. De bijzondere milieuvoorwaarden moeten betrekking hebben op de bescherming van mens en milieu, en mogen geen emissiegrenswaarden of afwijkingen op de beste beschikbare technieken (BBT) bevatten.

Gewone vergunningsprocedure

Een vergunningsaanvraag wordt eveneens met een beveiligde zending ingediend. En dit:

bij de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar, voor: de ?Vlaamse projecten? die limitatief worden aangewezen door de regering; en de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten bevatten over 2 of meer provincies;

bij de deputatie van de provincie, voor: de ?provinciale projecten? die limitatief worden aangewezen door de regering; de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten bevatten over 2 of meer gemeenten; en de projecten die klasse 1-inrichtingen of activiteiten omvatten, die geen Vlaams project zijn, geen gemeentelijk project, of geen onderdeel van één van beide; of

bij het college van burgemeester en schepenen, voor: de ?gemeentelijke projecten? die limitatief worden aangewezen door de Vlaamse regering; en alle overblijvende projecten.

De Vlaamse regering zal de inhoud van de omgevingsvergunning nog in detail vastleggen.

De gewestelijke, provinciale of gemeentelijke overheid of omgevingsambtenaar verricht een ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek.
Als bij het project een project-mer-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt hij ook die nota en beslist hij of er al of niet een milieu-effectrapport moet worden opgesteld.
Het resultaat van dat onderzoek wordt binnen een termijn van 30 dagen meegedeeld aan de vergunningvrager. De termijn van 30 dagen begint te lopen vanaf de dag na de datum waarop de (volledige) vergunningsaanvraag werd ingediend.

De beslissing dat er een mer-rapport moet worden opgemaakt, leidt automatisch tot de stopzetting van de procedure. Als de overheid beslist dat er een mer-rapport moet worden opgesteld, kan de aanvrager een verzoek tot ontheffing indienen bij het departement LNE. De beslissing van de afdeling bevoegd voor de milieueffectrapportage is bindend.

Vervolgens wordt er een openbaar onderzoek georganiseerd over de omgevingsvergunningsaanvraag. Welke organen advies moeten verlenen en alle andere details zullen nog uitgeschreven worden in het uitvoeringsbesluit. Al staat nu al vast dat de gemeente altijd advies moet verlenen over provinciale of gewestelijke vergunningsaanvragen die betrekking hebben op haar grondgebied (tenzij het om mobiele en verplaatsbare inrichtingen of activiteiten zou gaan).

De Vlaamse regering zal nog bepalen in welke gevallen er advies moet worden gevraagd aan de nieuw op te richten gewestelijke of provinciale omgevingsvergunningscommissies. De vergunningvrager mag vragen om gehoord te worden door de betrokken commissie.

Het nieuwe decreet zegt expliciet dat de aanvrager na het openbaar onderzoek wijzigingen mag aanbrengen aan zijn vergunningsaanvraag. Er moet geen nieuw openbaar onderzoek gehouden worden over het gewijzigde dossier:

als de wijzigingen geen afbreuk doen aan de bescherming van mens of milieu of de goede ruimtelijke ordening;

als de wijzigingen tegemoet komen aan de adviezen of opmerkingen die geformuleerd werden tijdens het openbaar onderzoek; en

als de wijzigingen kennelijk geen schending van de rechten van derden met zich meebrengen.

Maar zodra één van deze voorwaarden niet vervuld is, moet het openbaar onderzoek worden overgedaan of mag de overheid geen rekening houden met de wijzigingen in de vergunningsaanvraag.

De bevoegde overheid moet een definitieve beslissing nemen over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van:

150 dagen, als er geen advies van de omgevingsvergunningscommissie vereist is; en

120 dagen, als er wel zo?n advies nodig is.

Die termijnen zijn een pak korter dan nu het geval is.

De bewuste termijnen worden automatisch met 60 dagen verlengd als het openbaar onderzoek moet worden overgedaan na wijzigingen in de vergunningsaanvraag, als er een beroep gedaan wordt op de techniek van de administratieve lus, of als het project wegenwerken omvat - maar daarvoor geldt sowieso een afwijkende regeling. De termijn kan zo maar één keer verlengd worden.

Opgelet! Als er geen beslissing werd genomen binnen de termijn, moet men ervan uitgaan dat de omgevingsvergunnningsaanvraag werd geweigerd.
Gaat het om een vergunningsaanvraag met mer-rapport, omgevingsveiligheidsrapport of passende beoordeling naar aanleiding van een wijziging of aanvulling van de indelingslijst, dan mag de exploitatie voortgezet worden tot er een definitieve beslissing valt.

De definitieve beslissing vermeldt de lasten en voorwaarden die worden opgelegd, met inbegrip van eventuele bijzondere milieuvoorwaarden. Voor de algemene en sectorale milieuvoorwaarden volstaat een verwijzing naar de toepasselijke wetgeving.

Als de omgevingsvergunning - uitzonderlijk - voor een beperkte duur zou worden toegestaan, dan vermeldt de beslissing ook de looptijd en de reden waarom de vergunning niet voor onbeperkte duur wordt toegestaan.

De omgevingsvergunning mag toegepast worden als er binnen een termijn van 35 dagen na de datum van aanplakking geen schorsend administratief beroep werd ingesteld tegen de toekenning van de vergunning. De vergunning mag onmiddellijk toegepast worden als ze op gewestelijk niveau werd toegekend, als het gaat om een vergunning na een proefperiode, en zo zijn er nog enkele kleine uitzonderingen op de 35-dagentermijn.

Verkorte procedure

Naast de gewone vergunningsprocedure bestaat er ook een vereenvoudigde procedure. Die kan alleen gevolgd worden:

bij een beperkte verandering van een reeds vergund project;

bij een project dat uitsluitend betrekking heeft op tijdelijke inrichtingen of activiteiten;

wanneer de vergunningsplicht haar oorzaak vindt in een wijziging of aanvulling van de indelingslijst (zonder mer-rapport, OVR-rapport of passende beoordeling); of

wanneer het gaat om één van de specifieke projecten die door de Vlaamse regering werden aangewezen.

We gaan hier niet de volledige procedure hernemen. Het belangrijkste onderscheid is dat er in de gewone procedure een openbaar onderzoek moet plaatsvinden, en in de verkorte procedure niet. Bovendien moet de eindbeslissing in de verkorte procedure binnen de 60 dagen vallen. De 60 dagen beginnen te lopen nadat het aanvraagdossier ontvankelijk en volledig werd verklaard, of - bij gebrek aan een dergelijke verklaring - vanaf de 30e dag na de datum waarop het aanvraagdossier werd ingediend.

Als er geen beslissing werd genomen binnen de termijn van 60 dagen, moet men ervan uitgaan dat de aanvraag geweigerd werd.

En ook hier mag de vergunning toegepast worden na afloop van de 35-dagentermijn, met de gebruikelijke uitzonderingen voor als de vergunning verleend werd op gewestelijk niveau, enzovoort.

Beroep tegen een vergunnings- of weigeringsbeslissing

Net als nu, kan er beroep worden ingesteld tegen (uitdrukkelijke of stilzwijgende) beslissingen tot toekenning of tot weigering van een vergunning. Het beroep wordt ingediend bij de deputatie tegen een vergunning op gemeentelijk niveau, en bij de Vlaamse regering, tegen een vergunning op provinciaal niveau.

Er kan beroep worden ingesteld door de vergunningvrager, vergunninghouder of exploitant, door het betrokken publiek (waaronder de personen die benadeeld kunnen worden en milieuverenigingen), door de leidend ambtenaar van de departementen LNE of RWO, door de leidend ambtenaren van de adviesinstanties, of door het plaatselijke college van burgemeester en schepenen.

De termijn voor het indienen van beroep verstrijkt 30 dagen na de datum van betekening van de beslissing of na de eerste dag van aanplakking ervan.

De overheid neemt een definitieve beslissing over de vergunningsaanvraag in beroep binnen een termijn van:

120 dagen, als de aanvraag in eerste aanleg afgehandeld werd volgens de gewone vergunningsprocedure; en

60 dagen, als de aanvraag behandeld werd volgens de vereenvoudigde vergunningsprocedure.

De termijnen kunnen, eenmalig, met (slechts) 30 dagen verlengd worden.

Als er geen beslissing wordt genomen binnen de termijn, gaat men ervan uit dat het beroep werd afgewezen, en wordt de oorspronkelijke beslissing dus bevestigd.

Naar de RvvB

De uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing in laatste administratieve aanleg, én de aktename van melding, kunnen nog bestreden worden voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Dat beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van 60 dagen.

Nog niet voor meteen

Eens het Omgevingsvergunningsdecreet in werking is getreden, kan het huidige Milieuvergunningsdecreet worden opgeheven, behalve voor de lopende aanvragen. De overheid kan in die gevallen wel beslissen om al een vergunning van onbepaalde duur toe te kennen.

De bepalingen uit de VCRO die betrekking hebben op de toekenning van een stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning of stedenbouwkundige melding kunnen dan eveneens geschrapt worden.

Milieuvergunningen die na 10 september 2002 werden aangevraagd en die verleend werden voor een termijn van 20 jaar, kunnen in bepaalde gevallen beschouwd worden als vergunningen van onbepaalde duur. De vergunninghouder moet dan wel een speciaal meldingsformulier invullen.

De Vlaamse regering moet nog - artikel per artikel - een datum vastleggen voor de inwerkingtreding van dit nieuwe Omgevingsvergunningsdecreet. Die datum valt minstens 1 jaar na de datum van goedkeuring van het nog te publiceren Omgevingsvergunningsbesluit.

Naar verluidt zou daar nog wel wat tijd over gaan. Het gerucht gaat dat de eerste omgevingsvergunningen pas in 2019 of 2020 zouden worden uitgereikt?

Bron: Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, BS 23 oktober 2014 (Omgevingsvergunningsdecreet).

Zie ook:
Ontwerp van ?besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning?. VVSG.