Subsidies voor proefproject werknemersstatuut voor onthaalouders

Op 1 januari 2015 is een proefproject gestart om na te gaan of en hoe het werknemersstatuut in de praktijk kan worden toegepast bij onthaalouders - aangesloten bij een dienst voor onthaalouders- die gezinsopvang aanbieden in de eigen thuiswoning. Organisatoren van gezinsopvang - zowel uit de private als publieke sector - kunnen een aantal van hun onthaalouders laten werken in een statuut van bediende in thuisarbeid. Een nieuw besluit regelt nu de subsidiëring van dit proefproject.

Aanvraag

De organisatoren voor gezinsopvang uit de private sector vragen hun subsidie aan bij het Vlaams Welzijnsverbond, die uit de publieke sector bij het VVSG (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten).

De organisatoren hadden tot 30 september 2014 om hun aanvraag in te dienen.

In zijn aanvraag vermeldt de organisator onder meer het totaal aantal kinderopvangplaatsen met een vergunning voor gezinsopvang, het dossiernummer van de kinderopvanglocaties van de kinderbegeleiders die aan het project deelnemen en het maximaal gewenste tewerkstellingsvolume tijdens de projectperiode, uitgedrukt in een maximaal gewenst aantal VTE's.

De organisator moet beloven dat hij minstens vijf VTE's (private sector) of minstens twee VTE's (publieke sector) in het werknemersstatuut tewerkstelt. Hij moet zich desgevraagd engageren voor het maximale aantal VTE's dat hij in zijn aanvraag vermeld heeft.
Hij mag enkel kinderbegeleiders voor het project aanvaarden die daarvoor al werkten in het sui-generisstatuut.
De organisator uit de private sector sluit met de geselecteerde kinderbegeleiders een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Voor de organisator uit de publieke sector gaat het om een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur.

Beslissing

De werkgevers- en werknemersorganisaties uit het PC nr. 331 (Vlaamse welzijns- en gezondheidssector) beslissen of een organisator uit de private sector al dan niet subsidies krijgt voor het proefproject.

De criteria waarop zij zich baseren zijn:

het beschikbare budget;

de verdeling van minstens vijf VTE-kinderbegeleiders per organisator;

een zo gelijke mogelijke spreiding. Zowel geografisch als in diversiteit van organisatoren. De diversiteit betreft drie punten: het totaal aantal vergunde kinderopvangplaatsen voor gezinsopvang van de organisator, het opvangaanbod en de geografische ligging.

Als sterk op elkaar lijkende organisatoren zich kandidaat stellen, krijgt de organisator die het langst in de gezinsopvang werkt voorrang.

In de publieke sector beslissen de VVSG, de ACOD, het VSOA en het ACV openbare diensten over de subsidiëring. Vier criteria hier:

het beschikbare budget;

de verdeling van minstens 2 VTE-kinderbegeleiders per organisator;

een zo gelijk mogelijke spreiding van organisatoren;

de verplichting om te werken in de gezinswoning waar men gedomicilieerd is.

Bij sterk gelijkende organisatoren uit de publieke sector wordt rekening gehouden met

de gemiddelde bezetting van 1 april 2013 tot 30 april 2014. Hoe hoger de bezetting, hoe hoger de plaats in de rangorde;

de datum waarop gestart is met gezinsopvang. Hoe eerder, hoe hoger in de rangorde.

Subsidie

De subsidie wordt in principe toegekend voor twee jaar. Van 1 januari 2015 tot 31 december 2016.

Kind en Gezin betaalt de subsidie uit aan de private organisatoren (behalve het aandeel uit het Fonds Sociale Maribel). De Gemeenschappelijke Sociale Dienst Lokale Besturen doet dat voor de organisatoren uit de publieke sector.

Uitbetaling gebeurt met voorschotten van 95% per kwartaal. De saldoafrekening gebeurt uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar.

Verplichtingen organisator

De organisator werkt mee aan de periodieke evaluatie van het nieuwe project. Hij bezorgt onder meer gegevens over

de pro?s en de contra?s voor de werkbaarheid van de organisatie, onder meer op het vlak van het gezag van de organisator. En dit zowel vanuit het oogpunt van de kinderbegeleiders als vanuit dat van de organisatoren;

de impact van het werknemersstatuut op de dienstverlening aan de gezinnen (onder meer op het vlak van de continuïteit);

de algemene tevredenheidsgraad van de kinderbegeleider bij zijn nieuwe werksituatie; en

de evaluatie van de geraamde kostprijs. Zowel intern als in relatie met andere vormen van kinderopvang.

De organisator uit de private sector meldt aan Kind en Gezin elke effectieve vermindering van het toegekende contingent VTE.

Inwerkingtreding

Het nieuwe besluit van 22 mei 2015 is maar beperkt geldig. Van 1 september 2014 tot 31 december 2016.

Bron: Besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 2015 houdende de regeling van de toekenning van een subsidie voor een vernieuwend project betreffende het werknemersstatuut van de kinderbegeleider gezinsopvang aan organisatoren met een vergunning, BS 18 juni 2015