Grondwettelijk Hof vernietigt nieuwe benoemingsregel voor in meerdere rechtbanken benoemde magistraten

Magistraten die voor 1 april 2014 benoemd waren in verschillende rechtbanken van eerst aanleg van het rechtsgebied van eenzelfde hof van beroep zijn sinds die datum van rechtswege benoemd in de nieuwe rechtbanken of parketten. Het Grondwettelijk Hof vernietigt nu deze regel. Omdat er sprake is van een onverantwoord verschil in behandeling in vergelijking met de vroegere toegevoegde magistraten en de recent benoemde magistraten.

Toegevoegde magistraten

De wet van 1 december 2013 heeft de categorie van toegevoegde magistraten afgeschaft. Toegevoegde rechters waren benoemd op het niveau van het rechtsgebied van het hof van beroep. Zij konden hun ambt uitoefenen in de verschillende rechtbanken van eerste aanleg bij het betrokken hof van beroep.

Omdat hun ambt is afgeschaft zijn zij van rechtswege benoemd. In hoofdorde bij de rechtbank van eerste aanleg waar zij op 1 april 2014 aangewezen waren en in ondergeschikte orde in de andere rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep. Net zoals recent benoemde rechters trouwens.

Gelijktijdig in verschillende rechtbanken benoemde rechters

Voor rechters die voor 1 april 2014 gelijktijdig benoemd waren in verschillende rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep (het oude art. 100 Ger.W.) geldt er een andere regeling. Zij zijn sinds 1 april 2014 van rechtswege benoemd in de verschillende rechtbanken van eerste aanleg van dat rechtsgebied. Dus niet in hoofdorde in één rechtbank en in subsidiaire orde in de andere rechtbanken.

Waarborgen

Die verschillende benoemingsregeling heeft belangrijke consequenties.

Rechters die worden aangewezen om hun ambt uit te oefenen in een andere rechtbank dan die waarin ze in hoofdorde zijn benoemd - de vroegere toegevoegde rechters en de recent benoemde magistaten dus - genieten van betere waarborgen dan de rechters die - omdat zij vroeger gelijktijdig benoemd waren in verschillende rechtbanken - van rechtswege benoemd zijn bij de verschillende rechtbanken.

De aanwijzing om in een andere rechtbank te gaan werken gebeurt bij die eerste categorie immers in onderling overleg tussen de betrokken korpschefs. De betrokken magistraat wordt gehoord. In hun gemeenschappelijke beslissing leggen de korpschefs de aanwijzingsregels vast. En de aanwijzingsbeschikking bepaalt de redenen voor de mobiliteit. Bovendien kan de aanwijzing maar voor een - weliswaar hernieuwbare - periode van een jaar. Als de korpschefs weigeren of als er geen akkoord komt over de nadere regels van de aanwijzing, beslist de eerste voorzitter van het hof van beroep (of de procureur-generaal bij het hof van beroep) op grond van een met redenen omkleed advies van de korpschefs die betrokken zijn bij de aanwijzing.

Allemaal waarborgen die magistraten die van rechtswege benoemd zijn in de verschillende rechtbanken niet hebben wanneer ze hun ambt in een van de rechtbanken moeten gaan uitoefenen.

Vernietiging

Het Grondwettelijk Hof vindt dat dit verschil in behandeling tussen die twee groepen magistraten - enerzijds de vroegere toegevoegde magistraten en de recent benoemde magistraten en anderzijds de magistraten die vroeger hun ambt bij verschillende rechtbanken uitoefenden - niet redelijk verantwoord is.

De korpschef zou bovendien - wanneer hij moet beslissen over de mobiliteit van zijn magistraten - een onderscheid moeten maken tussen de twee categorieën terwijl ze alletwee benoemd zijn op het niveau van het rechtsgebied van het hof van beroep en vallen onder een mobiliteit die zich uitstrekt over het gans rechtsgebied van het hof.

Het Hof vernietigt daarom art. 152 van de wet van 1 december 2013. Omwille van de rechtszekerheid beslist het wel om de gevolgen van de bepaling tijdelijk te behouden. Tot de inwerkingtreding van een nieuwe regeling en uiterlijk tot 31 augustus 2016.

Bron: GwH 15 oktober 2015, nr. 139/2015

Zie ook:
Wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, BS 10 december 2013 (art. 150?152)
Ger.W. (art. 100)