Beroepsregels bij externe overplaatsing van magistraten vernietigd

Het beroep tegen een verplichte externe mobiliteit is ongrondwettig. Dat heeft het Grondwettelijk Hof beslist in een arrest van 15 oktober 2015. Er zijn twee redenen: enkel magistraten die naar een ander gerechtelijk arrondissement worden overgeplaatst kunnen in beroep gaan tegen hun verplichte mobiliteit, niet de magistraten die naar een andere afdeling binnen het arrondissement worden overgeplaatst. En het beroep is geen echt jurisdictioneel beroep.

Beroep bij verplichte mobiliteit

Magistraten die verplicht worden om hun ambt uit te oefenen in een ander arrondissement dan dat waarin ze in hoofdorde zijn benoemd of aangewezen, kunnen hiertegen in beroep gaan. Het is het directiecomité van het hof van beroep (of van het arbeidshof voor magistraten uit de arbeidsrechtbank) dat beslist over het beroep. Het parket-generaal beslist over het beroep van parketmagistraten.

Enkel voor overplaatsingen buiten arrondissement

Enkel magistraten die worden overgeplaatst naar een ander arrondissement kunnen van die beroepsmogelijkheid gebruik maken.

Het Gerechtelijk Wetboek voorziet echter ook in een mobiliteitsregeling tussen de verschillende afdelingen van eenzelfde rechtbank of parket. Magistraten kunnen verplicht worden om hun ambt in een van de andere afdelingen van eenzelfde rechtbank of parket te gaan uitoefenen.

Die categorie van magistraten kan echter niet in beroep gaan tegen die verplichte mobiliteit. Nochtans kan een dergelijke mobiliteit - ook al speelt ze zich af binnen hetzelfde arrondissement - een nadelige weerslag hebben op de wijze waarop de magistraat zijn ambt moet uitoefenen. Zeker omdat - sedert de hervorming van het gerechtelijk landschap - de arrondissementen heel wat groter zijn geworden. Wat een ruime geografische flexibiliteit vraagt van de betrokken magistraten.

Het Hof beslist dan ook dat dit verschil in behandeling niet door de beugel kan. Alle magistraten moeten - net zoals dat volgens de Raad van State ook het geval moet zijn voor ambtenaren - in beroep kunnen gaan tegen ordemaatregelen die een ernstige wijziging van hun werkomstandigheden met zich meebrengen. Wat het geval kan zijn bij een verplichte mobiliteit ? binnen of buiten het arrondissement.

Geen jurisdictioneel beroep

Tweede punt waar het Grondwettelijk Hof het moeilijk mee heeft is de beroepsinstantie zelf.

De wetgever had - volgens de parlementaire werken - de bedoeling om te voorzien in een jurisdictioneel beroep. Maar een jurisdictioneel beroep veronderstelt een onafhankelijke en onpartijdige rechtsinstantie. En het beroep bij het directiecomité van het hof van beroep of het parket-generaal voldoet niet aan deze voorwaarden.

Hoewel de beslissing tot mobiliteit in principe genomen wordt door de betrokken korpschefs, kan de beslissing - als zij er samen niet uitraken - ook genomen worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep of de procureur-generaal bij het hof van beroep. En laat nu net deze magistraten lid zijn van het directiecomité of het parket-generaal dat het beroep moet behandelen.

Het Hof vindt dan ook dat er - bij gebrek aan de vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid - allerminst sprake is van een jurisdictioneel beroep. De mensen die over het beroep moeten beslissen kunnen ook betrokken geweest zijn bij de totstandkoming van de mobiliteitsbeslissing.
En zelfs wanneer over de mobiliteit is beslist door de korpschefs zelf is er evenmin een voldoende garantie voor een onpartijdige en onafhankelijke rechtsinstantie. De wetgever voorziet immers in geen enkele mogelijkheid om leden van het directiecomité te wraken of om het comité anders samen te stellen.

Behoud gevolgen vernietiging

Op basis van die twee redenen vernietigt het Grondwettelijk Hof art. 37 van de wet van 18 februari 2014 over het verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisaties (invoeging art. 330quinquies Ger.W.).

De vernietiging is geen goed nieuws voor magistraten die worden overgeplaatst buiten het arrondissement. Zij verliezen hun rechtsbescherming. Bovendien kan de vernietiging problemen geven voor de nog in behandeling zijnde of definitief beslechte zaken.

Daarom beslist het Hof om de gevolgen van de vernietigde bepaling te behouden tot nieuwe bepalingen hieromtrent in werking treden. En uiterlijk tot 31 augustus 2016.

Bron: GwH 15 oktober 2015, nr. 138/2015

Zie ook:
Wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie, BS 4 maart 2014
Ger.W. (art. 330quinquies)