Diplomavoorwaarden voor jongeren onder 21 jaar die inschakelingsuitkering aanvragen

Sinds 1 januari 2015 moet de eerste aanvraag om een inschakelingsuitkering te krijgen, worden ingediend vóór de leeftijd van 25 jaar. En sinds 1 september moeten jongeren die zo'n uitkering aanvragen en jonger zijn dan 21 jaar, een diploma hoger secundair onderwijs hebben of een alternerende opleiding met succes hebben afgerond. Onder bepaalde voorwaarden kan ook een toelatingsbewijs tot het hoger onderwijs volstaan.

Voor de nieuwe instroom onder de 21 jaar wordt het recht op een inschakelingsuitkering dus gekoppeld aan een 'minimale diplomavereiste' die geldt zolang de betrokkene geen 21 jaar is, 'in afwijking' van de algemene regel die bestaat uit een opsomming van opleidingsvereisten die het mogelijk maken om toegelaten te worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen.

Maar de diplomavoorwaarden worden nu uitgebreid. De lijst van studierichtingen en opleidingen die bekrachtigd zijn door een diploma of een getuigschrift dat toegang geeft tot een inschakelingsuitkering was immers ?te beperkend geformuleerd?, zo blijkt uit het verslag bij het wijzigings-KB van 23 september 2015.

Concreet betekent dit dat de werknemer die bij de uitkeringsaanvraag jonger is dan 21 jaar, 'onverminderd de andere bepalingen' van artikel 36, voortaan moet aantonen dat hij:

ofwel in het bezit is van een diploma van het secundair onderwijs;

ofwel een alternerende opleiding integraal en met succes heeft voleindigd;

ofwel in het bezit is van een diploma, getuigschrift of attest dat voorkomt op een lijst;

ofwel een bewijsstuk bekomen heeft, afgeleverd door een gemeenschap, dat de gelijkwaardigheid vaststelt met zo?n diploma of getuigschrift, of in het bezit is van een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs.

Let wel, bij die laatste optie moet een bijkomende voorwaarde vervuld zijn. De mogelijkheden zijn hier uitgebreid. De jonge werknemer moet voortaan:

ofwel voorafgaandelijk ten minste 6 jaar studies gevolgd hebben in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een gemeenschap;

ofwel het bestaan aantonen van een werkelijke band met de Belgische arbeidsmarkt door een tewerkstelling als loontrekkende werknemer in België gedurende ten minste 78 arbeidsdagen, of door een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep in België gedurende ten minste 3 maanden;

ofwel op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag, als kind ten laste zijn van in België verblijvende migrerende werknemers;

ofwel op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag, als kind ten laste zijn van migrerende werknemers die in België verblijven in het kader van de vrijheid van vestiging als zelfstandige.

Parallel verwijst men bij de 'algemene' voorwaarden - opgenomen in artikel 36 §1, eerste lid, 2° h) en j) van het werkloosheidsbesluit - naar de gevallen van kinderen ten laste van migrerende werknemers die in België verblijven in het kader van de vrijheid van vestiging als zelfstandige. En naar de gevallen waarin het bestaan wordt aangetoond van een werkelijke band met de Belgische arbeidsmarkt.

De lijst met diploma's, bewijzen, getuigschriften en attesten - ook de documenten die gelijkwaardig worden verklaard - wordt opgenomen in bijlage bij een ministerieel besluit van 23 september 2015. Dat besluit heeft een kort nieuw hoofdstuk ingevoegd in het besluit met de toepassingregels van de werkloosheidsreglementering.

We kunnen er tot slot op wijzen dat rekening werd gehouden met alle opmerkingen van de Raad van State:

1/ De vermindering van het niveau van bescherming voor jonge werkzoekenden.

Uit het verslag bij het nieuwe KB blijkt dat de diplomavoorwaarde gezien moet worden in een brede context van maatregelen die de arbeidsmarkt stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan de verminderde werkgeversbijdragen voor de eerste aanwervingen, de verhoogde werkbonus en de verhoging van meerdere sociale uitkeringen, waaronder de inschakelingsuitkering.

2/ De eventuele discriminatie tussen jonge werkzoekenden, naargelang ze al dan niet de leeftijd van 21 jaar bereikt hebben.

Hier verwijst men naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Volgens het hof is een verschil in behandeling mogelijk voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is.

Het leeftijdscriterium werd in dit geval vastgesteld op grond van een objectieve en redelijke analyse, zo blijkt uit het verslag. Namelijk: de realiteit van 'talrijke schooluitvallen' enerzijds, en de wil van de regering om aan een zo groot mogelijke groep jongeren betere kansen op werkgelegenheid te bieden anderzijds.
De inschakelingsuitkering is geen doel op zich. De uitkering stimuleert de actieve zoektocht van jongeren naar werk, en deze zoektocht zal vlotter verlopen als de uitkering gekoppeld is aan het verwerven van een diploma.

De leeftijd van 21 jaar lijkt redelijk want jongeren die hun studies op het einde van hun leerplicht niet met succes beëindigd hebben, krijgen toch nog de kans om alsnog een diploma of een getuigschrift te behalen, zo blijkt uit het verslag.

De nieuwe regels treden retroactief in werking op 1 september 2015.

Bron: ? Koninklijk besluit van 23 september 2015 tot wijziging van artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, BS 16 oktober 2015

Bron: ? Ministerieel besluit van 23 september 2015 tot invoeging van een hoofdstuk IVbis houdende een artikel 6 in het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, BS 16 oktober 2015