Raad van State bekijkt 'vlakke loopbaan in uitdoving'

Een KB van 25 oktober 2013 heeft een nieuwe 'geldelijke loopbaan' ingevoerd voor de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Bedoeling is om de evolutie van de geldelijke loopbaan te koppelen aan een evaluatieproces waarbij men rekening houdt met de prestaties van de personeelsleden.

Maar de Raad van State heeft een stukje - meer bepaald artikel 178, 51°? van dat KB vernietigd, voor zover het betrekking heeft op de ambtenaren die op 1 december 2004 titularis waren van de geschrapte graad van ingenieur. Het gaat hier om de 'vlakke loopbaan in uitdoving'.

Vlakke loopbaan

De beslissing vloeit voort uit een beroep tot nietigverklaring dat werd ingesteld omdat de verzoeker in kwestie niet meer van een vlakke loopbaan kan genieten en daardoor op 1 juli 2014 de weddeschaal A33 niet meer krijgt, zo blijkt uit het voorwerp van het beroep.

De verzoeker werd op grond van de bestaande reglementering in een vlakke loopbaan in uitdoving geplaatst, en dit werd verder gewaarborgd. Dus stelt de Raad van State dat men van de overheid mag verwachten dat zij specifiek voor deze situatie ? bij het uitvaardigen van een nieuwe geldelijke loopbaan ? aangeeft waarom die regeling moet worden afgeschaft.

Verwachtingen gecreëerd

Volgens de Raad van State heeft de overheid bepaalde verwachtingen gecreëerd door de vlakke loopbaan in uitdoving te plaatsen. Wanneer de overheid dan plots afwijkt van de 'vaste gedragslijn', moet zij specifieke 'deugdelijke redenen' opgeven voor die categorie van ambtenaren, zo stelt de Raad van State.

Een algemene verantwoording dat het de wil van de regelgever is om voor alle personeelsleden een nieuwe geldelijke loopbaan in te voeren, volstaat niet. Die verantwoording volstaat dus niet voor de uitzonderlijke situatie van de ambtenaren met een vlakke loopbaan die in uitdoving werd geplaatst.
Concreet: artikel 178, 51° heft op 1 januari 2014 het KB van 19 maart 2008 op. Daardoor komt de verzoeker niet langer in aanmerking voor een weddeschaalverhoging bij het bereiken van 18 jaar klasse-anciënniteit. Dat zou voor hem op 1 juli 2014 het geval geweest zijn.

De Raad van State vat het als volgt samen: 'De rechtmatige verwachtingen die verzoeker had in de vaste gedragslijn van de overheid en de zekerheid die voor hem werd gecreëerd dat hij op 1 juli 2014 zou kunnen genieten van de voorziene weddeschaalverhoging, worden hem vanaf 1 januari 2014 in extremis, namelijk na 17 jaar en 6 maanden en dus amper een half jaar voordat de weddeschaalverhoging toepassing zou krijgen, afgenomen. Dit kan bezwaarlijk een zorgvuldig en redelijk handelen vanwege de overheid worden genoemd.'

Bron: RvS 6 oktober 2015, nr. 232.440

Zie ook:
Koninklijk besluit van 19 maart 2008 tot integratie van sommige ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken in de nieuwe loopbaan van niveau A van het rijkspersoneel, BS 31 maart 2008