Duidelijkheid over vergoeding voor terrorismeschade bij zaakverzekeringsovereenkomsten (art. 101 en 102 DB WER)

De wet op de verzekering van schade veroorzaakt door terrorisme wordt op twee punten aangepast. Het Comité van wijzen - dat beslist of er al dan niet sprake is van terrorisme - kan niet aansprakelijk gesteld worden voor zijn beslissingen. En er komt duidelijkheid over de schadevergoedingsregeling bij zaakverzekeringsoverenkomsten.

Comité van wijzen

Bij een aanslag beslist een comité van wijzen of de gebeurtenis al dan niet valt onder het begrip terrorisme. Dat is belangrijk omdat - als het om terrorisme gaat - een solidariteitsregeling in werking treedt. In zo'n geval kan de schade gedekt worden door TRIP (Terrorism Reinsurance and Insurance Pool). Hierbij zijn de meeste verzekeraars aangesloten. De verzekeraars die lid zijn van TRIP dekken - samen met de overheid en de herverzekeraars - schade door terrorisme tot 1 miljard euro in één kalenderjaar.

Het comité legt - eens het beslist heeft dat het om terrorisme gaat - het percentage van de schadevergoeding vast dat de TRIP-deelnemers moeten vergoeden.

De beslissingen van het Comité van wijzen kunnen dus een belangrijke impact hebben. Daarom is nu beslist dat het comité, zijn leden en de mensen die taken uitvoeren voor het comité niet aansprakelijk zijn voor hun beslissingen, handelingen of gedragen in de uitoefening van hun wettelijke opdrachten. Tenzij er sprake is van een zware fout of bedrog.

Zaakverzekeringsovereenkomsten

De schade die voortvloeit uit terrorisme wordt door TRIP gedekt voor 1 miljard euro per kalenderjaar.

Voor zaakverzekeringsovereenkomsten tot vergoeding van schade aan onroerende goederen en/of hun inhoud en van gevolgschade van deze schade (onrechtstreekse verliezen) geldt er echter altijd een beperking tot 75 miljoen euro per jaar. Die beperking geldt per verzekerde. Vroeger per verzekeringsnemer. En ongeacht het aantal verzekeringsovereenkomsten.

De beperking tot 75 miljoen euro geldt ook voor alle roerende goederen die deel uitmaken van de bedrijsactiviteiten van de verzekerde, ongeacht hun ligging.

Onroerende en roerende goederen die deel uitmaken van éénzelfde bedrijf worden dus als één geheel beschouwd. Er kan slechts éénmaal aanspraak gemaakt worden op maximaal 75 miljoen.

Concreet zal er dus moeten nagegaan worden welke schadevergoedingen eenzelfde verzekerde in het kader van een of meerdere zaakverzekeringsoverenkomsten met betrekking tot een onroerend goed en de hieraan verbonden roerende goederen, inclusief de gevolgschade, ontvangt.

Nog dit. Dochtervennootschappen en moedervennootschappen worden beschouwd als één verzekerde. Hetzelfde geldt voor een consortium en de verbonden vennootschappen.

En de beperking tot 75 miljoen euro geldt niet voor gebouwen die bestemd zijn voor bewoning.

Inwerkingtreding

De artikelen 101 tot 102 van de wet van 26 oktober 2015 treden in werking op 9 november 2015.

Bron: Wet van 26 oktober 2015 houdende wijziging van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere wijzigingsbepalingen, BS 30 oktober 2015 (art. 101 en 102 DB WER)

Zie ook:
Wet van 1 april 2007 betreffende de verzekering tegen schade veroorzaakt door terrorisme (art. 5 en 8)