Geen specifiek toezicht meer op langdurige voorlopige hechtenis (art. 70 en 71 Potpourri II)

Het specifiek toezicht op de langdurige voorlopige hechtenis door de Kamer van Inbeschuldigingstelling wordt opgeheven. De procedure bevat heel wat technische mankementen en biedt weinig meerwaarde. De onderzoeksgerechten zijn immers verplicht om op regelmatige basis te oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis en daarbij ook na te gaan of de redelijke termijn niet is overschreden.

Via de Potpourri II-wet wordt meer concreet artikel 136 ter van het Wetboek van Strafvordering naar de prullenbak verwezen. Dat artikel verplichtte de Kamer van Inbeschuldigingstelling om alle dossiers waarin een inverdenkinggestelde zich in voorlopige hechtenis bevond en waarover de raadkamer (wat de regeling van de rechtspleging betreft) geen uitspraak had gedaan binnen de 6 maanden te rekenen vanaf het verlenen van het bevel tot aanhouding, te onderwerpen aan een specifieke controle. De procureur des Konings moest over de materie rapporteren aan de procureur-generaal.

Maar procedure zorgde voor heel wat vragen en onduidelijkheden zowel aan de kant van de praktijkactoren als in de rechtsleer. Het item is ook vaak het voorwerp geweest van de rapporten Wetsevaluatie van het College van Procureurs-generaal. Er speelden vooral issues bij het verloop van de controle en bij het gebrek aan wettelijke omkadering. Zo stond het toezicht bijvoorbeeld wettelijk volledig van de gewone procedure voorlopige hechtenis, maar in de praktijk liepen de procedures vaak door elkaar. Bovendien impliceerde de controle een tussenkomst van de burgerlijke partij. Een regel die niet in overeenstemming is met de gewone procedureregels met betrekking tot de voorlopige hechtenis.

Het Wetboek van Strafvordering gaf ook niet aan hoe het dossier door het Openbaar Ministerie moest worden overgemaakt aan de Kamer van Inbeschuldigingstelling, op welke manier de inverdenkinggestelde een verzoekschrift tot controle kon indienen, of de manier waarop het dossier ter beschikking werd gesteld aan de partijen.

Maar de wet bevatte ook heel wat tegenstrijdigheden: artikel 24 van de wet op de Voorlopige Hechtenis is bijvoorbeeld niet afgestemd op artikel 136ter van het Wetboek van Strafvordering zodat noch de inverdenkinggestelde, noch de burgerlijke partij kunnen verzoeken om een openbare terechtzitting. Bovendien bepalen artikelen 136 en 136bis Sv. dat de onderzoeksrechter kan worden gehoord, terwijl artikel 136ter Sv. een mondeling verslag van de onderzoeksrechter vereist. Tot slot is er geen wettelijke termijn bepaald voor de uitspraak en moet het arrest niet ter kennis worden gebracht van de burgerlijke partij.

Voor de wetgever redenen genoeg om de procedure te schrappen. Te meer omdat de termijn van de voorlopige hechtenis wordt gecontroleerd bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis door de onderzoeksgerechten.

Dit onderdeel van de Potpourri II-wet is op 29 februari 2016 in werking getreden, 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Bron: Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 19 februari 2016 (art. 70 en 71 Potpourri II).