Archeologiedecreet ruimt baan voor archeologiebepalingen uit Onroerenderfgoeddecreet

Op 1 april 2016 worden de archeologiebepalingen uit het Onroerenderfgoeddecreet van kracht. Dat blijkt uit 2 uitvoeringsbesluiten die één dag vóór de datum van inwerkingtreding in het Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd.
Op die regel bestaat er één uitzondering: de verplichting om een bekrachtigde archeologienota te hebben, geldt pas vanaf 1 juni 2016.

Deadline: 1 april 2016

Het Onroerenderfgoeddecreet is al grotendeels in werking getreden, maar het hoofdstuk over archeologie was dat nog niet. Tot nu. Een eerste ministerieel besluit van 25 maart 2016 laat alle archeologiebepalingen op 1 april 2016 in werking treden. Het gaat dan om de voorschriften over:

het passiefbehoudsbeginsel (art. 5.1.1 OED);

de metaaldetectie (art. 5.1.2 OED);

het archeologisch onderzoek (art. 5.1.3 OED);

de toevalsvondsten (art. 5.1.4);

de verplichtingen van de zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles (art. 5.2.1-5.2.3 OED);

de toepassing van de Code van goede praktijk (art. 5.3.1);

de verplichting om een erkende archeoloog aan te stellen bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem (art. 5.4.5-5.4.21 OED)

het archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen (art. 5.5.1-5.5.4 OED);

de evaluatie (art. 5.6.1 OED).

En verder:

de definities die verband houden met archeologie (art. 12.1, puntjes 4°, 7°, 8°, 9° en 12° OED);

de toekenning van premies bij archeologische opgravingen die buitensporige directe kosten met zich meebrengen (art. 10.2.1, eerste lid, puntje 7° OED);

de bepaling dat de kosten van het archeologisch vooronderzoek en van de archeologische opgraving in principe gedragen worden door de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning (art. 10.3.1 OED);

de bepaling dat het Vlaams gewest de kosten draagt bij toevalsvondsten, en het recht op schadevergoeding voor de gebruiker of zakelijkrechthouder bij een toevalsvondst (art. 10.3.2-10.3.3 OED);

de bestraffing van bepaalde inbreuken en misdrijven die te maken hebben met het niet-respecteren van de archeologievoorschriften (art. 11.2.2, eerste lid, puntjes 4°, 5° en 10° en art. 11.2.4, §1, eerste lid, puntjes 2° en 4° OED); en

de gedeeltelijke opheffing van het oude Archeologiedecreet (art. 12.2.1, puntje 3° OED).

Deadline: 1 juni 2016

Een tweede ministerieel besluit van 25 maart voert echter een uitzondering in op de geplande inwerkingtreding van het archeologieluik op 1 april. De verplichtingen van de vergunningvrager én van de vergunningverlener bij stedenbouwkundige of verkavelingsdossiers met vergunningsplichtige ingrepen in de bodem gelden pas vanaf 1 juni. Het gaat dan in hoofdzaak om de verplichting om een archeologisch vooronderzoek te laten uitvoeren en om een bekrachtigde archeologienota te hebben (art. 5.4.1-5.4.4 OED).

Die bepalingen gelden slechts vanaf 1 juni 2016, of houden slechts vanaf die datum op te bestaan, wat de overeenstemmende bepalingen uit het Archeologiedecreet betreft.

Bron: ? Ministerieel besluit van 25 maart 2016 houdende de inwerkingtreding van diverse bepalingen van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2015 houdende wijziging van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 op 1 april 2016, BS 31 maart 2016.

Bron: ? Ministerieel besluit van 25 maart 2016 houdende de inwerkingtreding van diverse bepalingen van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2015 houdende wijziging van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 op 1 juni 2016, BS 31 maart 2016.