Geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie wordt versterkt

Het recht op maatschappelijke integratie wordt aangepast. Bedoeling is om de maatschappelijke integratie en de professionele inschakeling van de begunstigden van een leefloon te ondersteunen en hen te responsabiliseren.

Vooral de uitbreiding van het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI) als begeleidingsinstrument valt op. Het GPMI wordt verplicht voor alle nieuwe leefloondossiers zonder leeftijds- of doelgroepbeperking, terwijl dat nu enkel het geval is voor wie jonger is dan 25 jaar. De nadruk ligt op het wederzijds engagement.
Het GPMI is verplicht voor wie in de voorbije 3 maanden het recht op maatschappelijke integratie niet heeft genoten. Als daarentegen zowel een job als een leefloon wordt toegekend, is het afsluiten van een GPMI niet verplicht, maar blijft het wel mogelijk.
De verschillende specifieke vormen van het GPMI worden afgeschaft om mengvormen te kunnen creëren die een nog beter maatwerk mogelijk maken.

Verder noteren we vooral volgende aanpassingen:

1/ Een groot aantal van de asielaanvragen leidt tot het statuut van vluchteling of van subsidiair beschermde. Het verblijfsrecht geeft recht op maatschappelijke integratie indien alle andere voorwaarden daartoe vervuld zijn.
De wetgever maakt het nu mogelijk dat beide groepen van legaal in ons land verblijvende personen op een gelijkaardige manier de kans krijgen om zich te integreren in onze maatschappij. Daartoe wordt de categorie van subsidiair beschermden opgenomen in het personeel toepassingsgebied van de wet van 26 mei 2002.

2/ Het recht op maatschappelijke integratie is gekoppeld aan voorwaarden, zoals de werkbereidheid. Namelijk: 'werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is'.
Let wel, de notie van gezondheids- en billijkheidsredenen kan anders beoordeeld worden dan in de arbeidscontext. Het is niet omdat een persoon niet kan werken om gezondheids- of billijkheidsredenen, dat hij automatisch ook geen GPMI kan afsluiten.
De wetgever voegt daar nu aan toe dat die werkbereidheid kan blijken uit het aanvaarden van gemeenschapsdienst. Het engagement kan bijdragen om aan de voorwaarde van werkbereidheid te beantwoorden, zonder de kandidaat vrij te stellen van die voorwaarde. Men kan bijvoorbeeld ook aan die voorwaarde voldoen via een vorming of een actieve zoektocht naar werk.
De gemeenschapsdienst bestaat uit het verrichten van activiteiten op een vrijwillige basis die zowel positief bijdragen aan het persoonlijk ontwikkelingstraject van de betrokkene, als positief bijdragen aan de gemeenschap.
Indien het centrum door een met redenen omklede beslissing aantoont dat de persoon wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan werken, heeft hij, recht op een leefloon, 'al dan niet gepaard gaand met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie'.

3/ Het uitbreiden van de verplichting tot het afsluiten van een GPMI brengt vooral bij een eerste steunaanvraag een verhoging van de werklast met zich mee voor de ocmw's. Vandaar dat de wetgever een nieuwe bijzondere betoelaging invoert.
Tijdens één kalenderjaar, te tellen vanaf de eerste dag van de maand in de loop waarvan het GPMI ondertekend werd, voorziet men in een extra bijzondere toelage van 10% van het bedrag van het leefloon dat werkelijk wordt toegekend.
Zo'n toelage is ook bepaald voor het GPMI dat facultatief wordt afgesloten.
Voor de personen jonger dan 25 jaar die voltijdse studies volgen is er een toelage van 10% verschuldigd gedurende de hele duur van het GPMI. En men voorziet in een extra financiering voor mensen die ver verwijderd zijn van de maatschappelijke integratie. Een verlenging of een tweede toekenning van de bijzondere toelage is uitzonderlijk mogelijk.

Deze aanpassingen treden pas in werking op een door de Koning bepaalde datum. Bedoeling zou zijn om de hervorming in werking te laten treden op 1 september 2016.

De wetgever voorziet ook in een overgangsregeling:

1/ De bijzondere toelage van 10% voor het op de datum van inwerkingtreding bestaande GPMI is verschuldigd aan het centrum vanaf de datum van inwerkingtreding.

2/ Een recht op een GPMI wordt toegekend aan de persoon die:

na de inwerkingtreding van de nieuwe wet nog het leefloon geniet zonder dat dit gepaard gaat met een GPMI, en

waarbij de beslissing tot het toekennen van dit leefloon werd genomen in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, en

voor zover de persoon voorafgaand aan deze beslissing tot het toekennen van het recht op maatschappelijke integratie 3 maanden geen recht op maatschappelijke integratie heeft genoten.

Het centrum heeft 12 maanden de tijd om met die persoon een GPMI af te sluiten.

Bron: Wet van 21 juli 2016 houdende wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, BS 2 augustus 2016