Minder steun voor grote afvalverbrandingsinstallaties (art. 8 en 25-32 DB Energie)

De Vlaamse regering beperkt de steun aan de grote verbrandingsinstallaties. Zowel in het algemene regime van de warmte-krachtcertificaten, als in het specifieke regime van de steun voor groene warmte.

Geen certificaten meer

Sinds 1 januari 2013 berekent het Vlaams Energieagentschap (VEA) de onrendabele top en bandingfactoren voor de meeste projectcategorieën op basis van de beste kostenefficiënte en performante type-installaties. Dat is zo bij windenergie, zonne-energie, biogasinstallaties, enz. En dat was ook zo voor de 'nieuwe installaties voor de verbranding van huishoudelijk of bedrijfsafval met een maximaal vermogen tot en met 20 MWe'.

Maar het diversebepalingenbesluit schrapt die laatste categorie.
Het Energieagentschap zal dus geen bandingfactor meer berekenen voor kleine verbrandingsinstallaties, en die installaties zullen dus niet meer automatisch recht meer hebben op warmte-krachtcertificaten.

Eerder schrapte Vlaanderen ook al de mogelijkheid om een projectspecifieke bandingfactor toe te kennen aan de grote installaties van meer dan 20 MWe. Maar tegen die beslissing loopt een beroep bij de Raad van State.

Minder steun voor groene warmte

In 2013 kondigde de Vlaamse regering een steunregeling af voor installaties die warmte recupereren uit biomassa of uit restwarmte, en voor installaties die biomethaan recupereren en injecteren in het gasnet. Vorig jaar werd dat steunregime uitgebreid tot de installaties die groene warmte halen uit de diepe ondergrond. Het beschikbare budget zou om de 6 maanden verdeeld worden volgens een call-systeem.

Het diversebepalingenbesluit zegt nu dat er vanaf nu maar om het jaar een call zal worden uitgeschreven.

Het besluit legt ook strengere voorwaarden op aan de exploitanten van afvalverbrandingsinstallaties die subsidies willen voor hun investeringen in nuttige groene warmte uit biomassa. Afvalverbrandingsinstallaties hebben nog enkel recht op steun voor het aandeel dat werkelijk noodzakelijk is voor de warmterecuperatie. Als de investeringen zowel voor de productie van elektriciteit, als voor de productie van warmte nodig zijn, dan wordt het aandeel dat nodig is voor de productie van elektriciteit afgesplitst.
De installatie moet bovendien een minimale hoeveelheid warmte produceren. De minister van Energie zal dat minimum nog vastleggen in een ministerieel besluit.
Het project mag niet strijdig zijn met de verwerkingshiërarchie. Volgens het Materialendecreet moet immers voorrang gegeven worden aan de preventie van afvalstoffen, vervolgens aan het hergebruik, en dan aan de recyclage. Nuttige toepassing met energieterugwinning komt pas op de vierde plaats. Net vóór de verwijdering met storten.
Een subsidiabel project mag ook niet ingaan tegen het principe van 'de vervuiler betaalt'.

Net als vroeger zal het Vlaams Energieagentschap alle ingediende projecten ordenen volgens de mate waarin zij aan de criteria voldoen en zal het agentschap vervolgens het beschikbare budget verdelen, te beginnen bij het best geklasseerde dossier, en zo verder, tot het budget op is. Maar als één van de indieners een afvalverbrandingsinstallatie is, zal het Energieagentschap eerst het advies van de Ovam, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, moeten vragen. De afvalstoffenmaatschappij zal in haar advies moeten nagaan of de gevraagde steun wel in overeenstemming is met het Materialendecreet en zijn uitvoeringsbesluit Vlarema. Met andere woorden, of de gevraagde steun dus in overeenstemming is met de duurzaamheidsregels in het algemeen, en met de verwerkingshiërarchie en het 'de vervuiler betaalt'-principe in het bijzonder.

Bovendien zal Vlaanderen de toegekende steun terugvorderen als zou blijken dat een deel van de biomassa afkomstig was uit bepaalde 'verboden gebieden', zoals gebieden met oerbos, natuurreservaten, beschermde poldergraslanden, of bepaalde veengebieden. (art. 6.1.16, § 1/3, §1/1, 1° en §1/5 Energiebesluit).

In werking op:

Strengere regels voor afvalverbrandingsinstallaties: Datum nog te bepalen bij ministerieel besluit en ten laatste op 1 juli 2017.

Overschakeling naar jaarlijkse call: 25 september 2016.

Bron: Besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft diverse bepalingen inzake energie-efficiëntie, BS 15 september 2016 (art. 8, art. 25-31 en art. 49, derde lid DB Energie).

Zie ook:

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2011 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid, BS 8 december 2010 (art. 6.2/1.2, 8°, art. 6.2/1.7, 3°, art. 7.4.1 -7.4.4, art. 7.5.1, art. 7.6.1 en art. 7.7.1 van het Energiebesluit).