Stedenbouwkundige melding nodig voor opvang van daklozen en asielzoekers

Particulieren die burgers in nood, asielzoekers of vluchtelingen opvangen bij hen thuis, splitsen eigenlijk hun woning op en hebben daarvoor een stedenbouwkundige vergunning nodig... Maar omdat het hier om noodhulp gaat, versoepelt de Vlaamse regering het vergunningsregime.
Ook voor de tijdelijke plaatsing van wooncontainers worden de regels versoepeld.

Plots op straat?

De vergunningsplicht wordt vervangen door een eenvoudige melding bij tijdelijke opvang van:

burgers van wie de woning onbewoonbaar is geworden door onvoorziene omstandigheden. Bijvoorbeeld na een brand; of

asielzoekers en vluchtelingen die de opvang van Fedasil moeten verlaten (art. 6, §1, vierde lid, en art. 8, §1 van de Opvangwet).

Bij particulier in huis

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zegt dat niemand een woning mag opsplitsen of een gebouw mag opdelen in meerdere wooneenheden, zonder stedenbouwkundige vergunning (art. 4.2.1, 7° VCRO). Particulieren die burgers in nood of asielzoekers en vluchtelingen opvangen in eigen huis, vermeerderen het aantal woongelegenheden in hun huis en hebben volgens de VCRO dus een stedenbouwkundige vergunning nodig. Maar de Vlaamse regering vervangt die vergunningsplicht door een meldingsplicht als aan 6 voorwaarden wordt voldaan.

Een melding aan de gemeente volstaat voor het opsplitsen van een woning of voor het wijzigen in een gebouw van het aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande. Om het even of het gaat om een eengezinswoning, een etagewoning, een flatgebouw, een studio, of een - al dan niet - gemeubileerde kamer. Op voorwaarde dat:

in de bestaande woning maar één ondergeschikte wooneenheid wordt gecreëerd;

de ondergeschikte wooneenheid één fysiek geheel vormt met de hoofdwooneenheid;

de ondergeschikte woning ten hoogste 1/3e inneemt van het bouwvolume van de woning;

de ondergeschikte woning bestemd is voor de noodopvang van burgers, asielzoekers en vluchtelingen;

de opvang tijdelijk is (maximum 3 jaar);

de hoofd- én ondergeschikte wooneenheid toebehoren aan dezelfde eigenaar of eigenaars (althans wat de blooteigendom betreft).

Bij het beëindigen van de opvang moet de eigenaar opnieuw een melding tot het gemeentebestuur richten.

De Vlaamse regering heeft trouwens een apart meldingsformulier ontworpen om de melding van de opsplitsing en van de beëindiging van de opsplitsing te verrichten: de 'Melding inzake tijdelijk wonen'.

De regering heeft hier bewust gekozen voor een meldingsplicht, en niet voor een vrijstelling van vergunning. Via de melding zijn de gemeentebesturen op de hoogte van de tijdelijke huisvesting en kunnen zij controle uitoefenen op het naleven van de woonkwaliteitsnormen.

Bovendien kunnen de gemeentebesturen in de aktename van melding bijkomende voorwaarden opleggen. Die extra voorwaarden kunnen de tijdelijke opvang eventueel bemoeilijken, maar mogen ze zeker niet onmogelijk maken.

2 of 3 jaar in wooncontainer

De Vlaamse regering vervangt de vergunningsplicht ook door aan meldingsplicht bij noodopvang in wooncontainers. Dat kan voor een termijn van 2 tot 3 jaar.

Voor het tijdelijk plaatsen van verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, én voor het tijdelijk plaatsen van verplaatsbare constructies die aan de bewoning verwante functies herbergen wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding. Constructies die een aan bewoning verwante functie herbergen, zijn bijvoorbeeld onthaalcontainers, kook- en eetcontainers, of spel- en ontmoetingsruimtes. De vervanging van de vergunningsplicht door een meldingsplicht geldt alleen:

als de plaatsing gebeurt door de overheid zelf, of gebeurt in opdracht van de overheid, en de huisvesting bestemd is voor de noodopvang van burgers, asielzoekers en vluchtelingen;

als de opvang tijdelijk is en ten hoogste 2 jaar duurt. Die termijn mag 3 jaar bedragen op militaire domeinen en in gebieden die bestemd zijn voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen;

als de verplaatsbare constructies een oppervlakte innemen van ten hoogste 500 m². Die gezamenlijke maximale oppervlakte mag verdubbeld worden op militaire en gemeenschapsterreinen;

als de afstand tot de perceelsgrenzen ten minste 10 meter bedraagt; en

de constructies uiteraard ook niet geplaatst worden in ruimtelijk kwetsbaar, erosiegevoelig, of effectief overstromingsgevoelig gebied.

In werking op:

29 september 2016 (d.i. 10 dagen na publicatie in het BS).

Bron: Besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 houdende wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (Meldingsbesluit) en van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, BS 19 september 2016 (art. 34-35 en 37 BVR van 15 juli 2016).