Code van goede praktijk voor ontginning gevolgd door landbouw

Minister van Leefmilieu Joke Schauvliege heeft een code van goede praktijk opgesteld die moet zorgen voor een kwaliteitsvolle heraanleg van een ontgonnen terrein dat nabestemd wordt voor landbouw. De code geldt vanaf 1 januari 2017 en is van toepassing op de ontginningsbedrijven uit rubriek 18 van de Vlarem-indelingslijst.

De komst van de 'Code van goede praktijk voor de kwaliteitsvolle heraanleg van een ontginning in functie van landbouw (versie 1.0)' werd eind augustus al aangekondigd, toen de Vlarem-trein in Vlarem 2 liet inschrijven dat de minister van Leefmilieu een code van goede praktijk zou opstellen voor heraanleg na het ontginnen van oppervlaktedelfstoffen. De Vlarem-trein bepaalde ook dat de voorschriften van die code ?stipt gevolgd? moesten worden.

In haar ministerieel besluit van 27 september 2016 laat minister Schauvliege weten dat haar code klaar is en dat die opgenomen is in bijlage bij het besluit. Jammer genoeg bevat de bijlage enkel een inhoudstafel, en niet de code zelf. U kunt de integrale tekst (25 blz.) wel opvragen bij de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (Albon).

De code van goede praktijk werd opgesteld na overleg tussen de oudste Beoordelingscommissies Landbouwnabestemming en Albon. De code is tweeledig. Ze bevat enerzijds minimumvoorwaarden die de exploitant moet respecteren om te kunnen spreken van een kwaliteitsvolle heraanleg, en anderzijds niet-bindende aanbevelingen zodat de ontginner ook rekening kan houden met de natuurlijke bodem en de lokale terreinsituatie.

In de code van goede praktijk wordt er telkens een onderscheid gemaakt tussen 3 bodemlagen:

de bouwvoorlaag of teelaardelaag;

de kwaliteitsvolle bodemlaag die doorwortelbaar is; en

de ondergrondlaag.

Heraanleg in functie van landbouw is mogelijk op het oorspronkelijke niveau - met opvulgrond -, of - onder bepaalde voorwaarden - op een verlaagd niveau.

De code bevat dan ook voorschriften voor:

de opvulgrond: het type (klei, leem, zand, zandleem, enz.), de textuur en korrel, het gehalte aan stenen en de afmeting ervan;

de minimale dikte van de bewortelingslaag;

de waterhuishouding;

het tegengaan van bodemverdichting;

het ?zich zetten? van de bodem, waardoor er misschien nood is aan het heraanvullen ervan;

het nieuwe reliëf;

het gehalte aan organische stof; en

de zuurtegraad en bodemvruchtbaarheid.

Op het vlak van organischestofgehalte, en zuurtegraad en bodemvruchtbaarheid is het gewenste eindbeeld dat van vóór de ontginning. De code verplicht niet om een gunstiger bodem-pH en bodemvruchtbaarheid te creëren.

Als er moet gekozen worden tussen een verbetering van het gehalte aan organische stoffen, en een verbetering van de pH en bodemvruchtbaarheid, krijgt het evenaren van het oorspronkelijke koolstofgehalte de voorkeur op het evenaren van de oorspronkelijke zuurtegraad en bodemvruchtbaarheid.

En alleen als de mogelijke tekorten niet opgeheven kunnen worden met compost of stal- en drijfmest, mag de ontginner chemische meststoffen toedienen, waarbij hij rekening moet houden met de bemestingsnormen. Bovendien moet de vergunninghouder daarover afspraken maken met de gebruiker(-landbouwer) en eigenaar van de grond.

In werking op:

1 januari 2017.

Bron: Ministerieel besluit van 27 september 2016 houdende vaststelling van de code van goede praktijk voor de kwaliteitsvolle heraanleg van een ontginning in functie van landbouw in uitvoering van artikel 5.18.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (art. 5.18.1.2, §1bis van Vlarem 2), BS 24 oktober 2016.

Zie ook:

Code van goede praktijk voor de kwaliteitsvolle heraanleg van een ontginning in functie van landbouw, versie 1.0. Nog niet gepubliceerd.