Uitvoeringsbepalingen bij nieuw wettelijk kader voor overbruggingsrecht zelfstandigen

Sinds 1 januari is een nieuw wettelijk kader van kracht voor het overbruggingsrecht voor zelfstandigen.

Bedoeling is om via de nieuwe wet van 22 december 2016 - en de bijhorende uitvoeringsbepalingen die nu verschenen zijn - een duidelijker en breder sociaal vangnet te creëren voor zelfstandigen. Heel wat bestaande bepalingen zijn geherformuleerd of herschikt. De rest zit in het KB tot uitvoering van de nieuwe wet.

4 pijlers

Het bestaande KB van 18 november 1996 werd geïntegreerd in een nieuwe aangepaste structuur zonder dat er sprake is van een inhoudelijke koerswijziging, al heeft de wetgever hier en daar wel wat pijnpunten weggewerkt. Bijvoorbeeld door het begrip 'gezinslast' te verduidelijken en door te werken met één enkele set voorwaarden die geldt voor beide luiken van het overbruggingsrecht.

Het overbruggingsrecht bestaat uit een financiële uitkering en het behoud van de sociale rechten inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. De regeling is opgebouwd rond 4 pijlers: 'faillissement', 'collectieve schuldenregeling', 'gedwongen onderbreking' en 'stopzetting bij economische moeilijkheden'. De uitvoeringsbepalingen zijn geënt op die indeling.

Gedwongen onderbreking

Het overbruggingsrecht is (onder andere) van toepassing op de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die, 'door omstandigheden onafhankelijk van hun wil, gedwongen worden elke zelfstandige activiteit te onderbreken'.

Het uitvoeringsbesluit stipt 4 typesituaties aan die de uitoefening van elke zelfstandige activiteit tijdelijk of definitief onmogelijk maken voor de aanvrager (onafhankelijk van zijn wil):

1/ Een natuurramp. Dat is elk 'natuurverschijnsel met uitzonderlijk karakter' (in de zin van de Natuurrampenwet) en elke 'natuurramp' (in de zin van de Verzekeringswet), die de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de zelfstandige en, indien van toepassing, van zijn helper of meewerkende echtgenoot heeft beschadigd.

2/ Een brand. Dat is elke gebeurtenis (in de zin van de Verzekeringswet, brandverzekering), die de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de zelfstandige en, indien van toepassing, van zijn helper of meewerkende echtgenoot heeft beschadigd.

3/ Een vernieling. Dat is de vernieling van de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting ten gevolge van een gebeurtenis die geen 'brand' of 'natuurramp' is en die door een derde is veroorzaakt.

4/ Een allergie. Dat is elke allergie waaraan de aanvrager lijdt. Maar enkel als volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:

de allergie werd erkend door de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling;

de allergie is veroorzaakt door de uitoefening van de specifieke zelfstandige activiteit van de aanvrager; en

de aanvrager wordt, na het uitputten van zijn rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gedurende het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, op grond van een beslissing van het bevoegde medische orgaan niet erkend tijdens het tijdvak van invaliditeit.

Let wel, de helper en de meewerkende echtgenoot komen slechts in aanmerking voor het overbruggingsrecht in geval van natuurramp, brand of vernieling indien ook de geholpen zelfstandige het slachtoffer is van de die situatie.

Het besluit van 8 januari 2017 zegt uitdrukkelijk dat dezelfde situatie de uitoefening van elke zelfstandige activiteit van zowel de geholpen zelfstandige, als zijn helper of meewerkende echtgenoot tijdelijk of definitief onmogelijk moet hebben gemaakt, onafhankelijk van hun wil. Bij een allergie komt enkel de door de allergie getroffen zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot in aanmerking.

De onderbreking van de zelfstandige activiteit vangt aan op de datum waarop de situatie zich voordoet. In geval van een allergie wordt de onderbreking geacht aan te vangen op de datum waarop de aanvrager niet erkend wordt tijdens het tijdvak van invaliditeit.
Bij de aanvraag voegt de aanvrager reeks documenten die toelaten om de 'situatie' vast te stellen. Het sociaal verzekeringsfonds gaat na of de voorwaarden vervuld zijn. Het KB omschrijft wanneer de voorwaarden geacht worden vervuld te zijn, tot bewijs van het tegendeel. Het komt erop neer dat er voldoende (medische) documenten moeten zijn om de vaststellingen te doen.

Economische moeilijkheden

Het overbruggingsrecht is (onder andere) van toepassing op de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die zich 'in economische moeilijkheden bevinden en elke zelfstandige activiteit officieel stopzetten'.

De aanvrager moet dus elke zelfstandige activiteit officieel stopzetten én zich in economische moeilijkheden bevinden. De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot bevindt zich in 'economische moeilijkheden', indien hij zich in één van de volgende situaties bevindt:

hij ontvangt op het ogenblik van de stopzetting van zijn zelfstandige activiteit een leefloon (wet van 26 mei 2002);

hij heeft in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de maand van de stopzetting, in het kader van een procedure voor de Commissie voor vrijstelling van bijdragen, een beslissing tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragebetaling bekomen;

hij beschikt over een inkomen dat de ?minimale bijdragedrempel? (verschillende situaties opgenomen in KB nr. 38) niet overschrijdt, zowel tijdens het jaar van de stopzetting, als in het daaraan voorafgaande jaar.

Let op! De helper en de meewerkende echtgenoot komen enkel in aanmerking indien ook de geholpen zelfstandige kan aantonen dat zijn inkomen tijdens dezelfde periode de minimale bijdragedrempel niet overschrijdt.

De bevoegde minister kan bijkomende voorwaarden vastleggen.

Het sociaal verzekeringsfonds moet de 'situatie' verifiëren aan de hand van de nodige bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld een attest van het bevoegde ocmw. In geval van een vennootschap kan de bevoegde minister aanvullende bewijsstukken opleggen.
Enkel wanneer het sociaal verzekeringsfonds zelf niet over deze informatie beschikt, moet de aanvrager de bewijsstukken bij zijn aanvraag voegen.

De aanvrager moet uiteraard voldoen aan de voorwaarden uit de basiswet. Maar hij moet bij zo'n stopzetting ook een minimum aantal kwartalen bewijzen over zijn volledige loopbaan waarvoor pensioenrechten worden geopend (KB nr. 72):

zijn dat er minder dan 8, dan heeft hij geen recht op het overbruggingsrecht;

zijn dat er minstens 8 maar minder dan 20, dan heeft hij recht op de financiële uitkering gedurende maximaal 3 maanden en op de sociale rechten gedurende maximaal één kwartaal;

zijn dat er minstens 20 maar minder dan 60, dan heeft hij recht op de financiële uitkering gedurende maximaal 6 maanden en de sociale rechten gedurende maximaal 2 kwartalen;

zijn dat er minstens 60, dan heeft hij recht op de financiële uitkering gedurende maximaal 12 maanden en de sociale rechten gedurende maximaal 4 kwartalen.

Tot slot noteren we een reeks wijzigingsbepalingen die bestaande regels afstemmen op de nieuwe situatie. Het gaat om aanpassingen van het KB van 19 december 1967 (uitvoering van het KB nr. 38) en het KB van 20 juli 1971 dat een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering instelt.

In werking

Het KB van 8 januari 2017 treedt retroactief in werking op 1 januari 2017. Het is van toepassing op de onderbrekingen (natuurramp, brand, vernieling) die aanvangen vanaf die datum en de stopzettingen die plaatsvinden vanaf die datum.

Bron: Koninklijk besluit van 8 januari 2017 tot uitvoering van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, BS 20 januari 2017