Inkomsten uit deeleconomie: erkenning elektronisch platform en inhoud fiches bedrijfsvoorheffing

Een KB van 12 januari 2017 heeft de voorwaarden vastgelegd waaraan een elektronisch platform van deeleconomie moet voldoen. Dit KB bepaalt ook wat er op de fiches moet staan die de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing (het elektronisch platform) moet opmaken.

Erkenningsvoorwaarden elektronisch platform

Elektronische platformen kunnen worden erkend voor de toepassing van artikel 90, eerste lid, 1°bis van het WIB 1992 (inkomsten uit de deeleconomie) als ze voldoen aan alle onderstaande voorwaarden (nieuw art. 53/1, KB/WIB 1992; art. 1, KB van 12 januari 2017):

het platform is ingericht binnen een vennootschap of een vzw die is opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een EER-lidstaat of van een staat waarvoor België een internationaal akkoord heeft aangegaan om haar ondernemingen op dezelfde manier te behandelen als Belgische ondernemingen;

de maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer van deze vennootschap of vzw is gevestigd in de EER of in een staat waarmee België door een internationaal akkoord verbonden is;

de vennootschap of de vzw is voor die werkzaamheid, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) als handels- of ambachtsonderneming, of ingeschreven in het handelsregister volgens de wetgeving van de EER-lidstaat of de staat waarvoor België een internationaal akkoord heeft aangegaan om haar ondernemingen op dezelfde manier te behandelen als Belgische ondernemingen, waar de vennootschap of de vzw is gevestigd;

de vennootschap of de vzw beschikt over een door de KBO toegekend ondernemingsnummer dat geldt als btw-identificatienummer en de letters BE bevat, of beschikt (bij gebrek aan een ondernemingsnummer), voor zover het bestaat, over een identificatienummer btw-doeleinden in de EER-lidstaat of in de staat waarvoor België een internationaal akkoord heeft aangegaan om haar ondernemingen op dezelfde manier te behandelen als Belgische ondernemingen, waar ze is gevestigd.

De bestuurders, de zaakvoerders en de personen die bevoegd zijn om de vennootschap of de vzw te verbinden mogen:

geen personen zijn aan wie het uitoefenen van dergelijke functies verboden is krachtens het KB nr. 22 van 24 oktober 1934 of gelijkaardige bepalingen van een andere EER-lidstaat;

niet in staat van faillissement verkeren, tenzij in geval van verschoonbaarheid of rehabilitatie, noch het voorwerp zijn van een procedure tot faillietverklaring of analoge procedures van buitenlands recht.

Aanvraag tot erkenning

De vennootschap of vzw waarbinnen het elektronisch platform is ingericht, dient de aanvraag tot erkenning van het elektronisch platform in (nieuw art. 53/2, KB/WIB 1992; art. 1, KB van 12 januari 2017):

ofwel per brief of per e-mail gericht aan de voorzitter van de FOD Financiën;

ofwel met het elektronisch formulier dat op de webstek van de FOD Financiën staat.

De aanvraag is enkel ontvankelijk wanneer:

volgende documenten zijn toegevoegd: een afschrift van de oprichtingsakte zoals die tot op de datum van de aanvraag is gewijzigd of een afschrift van de gecoördineerde statuten; een document waaruit blijkt dat de maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer van de vennootschap of vzw is gevestigd in de EER of in een staat waarmee België door een internationaal akkoord verbonden is; een afschrift van de inschrijving in het handelsregister volgens de eisen van de wetgeving van het land waar de vennootschap of de vzw gevestigd is; een lijst met de namen van de bestuurders, de zaakvoerders en de personen die bevoegd zijn om de vennootschap of de vzw te verbinden; een verklaring waarbij de vennootschap of de vzw de verbintenis aangaat om bij het einde van elk jaar voor elke dienstverrichter de jaarlijkse samenvattende fiche inzake bedrijfsvoorheffing (nieuw art. 92/1, KB/WIB 1992; art. 4, KB van 12 januari 2017) op te stellen en te bezorgen aan de dienstverrichter en aan de bevoegde administratie;

ze is ondertekend door een wettelijke of statutaire lasthebber van de vennootschap of de vzw.

Intrekking erkenning

De erkenning wordt ingetrokken wanneer het elektronisch platform zijn verplichtingen van aangifte of betaling van de BV tweemaal niet nakomt binnen een periode van drie jaar, te rekenen vanaf het jaar waarin de eerste tekortkoming heeft plaatsgevonden.

De intrekking wordt bekendgemaakt op de webstek van de FOD Financiën. Ze heeft uitwerking vanaf de dertigste dag na haar bekendmaking.

De FOD Financiën houdt een lijst van de erkende platformen bij op haar webstek.

Bedrijfsvoorheffing

De vennootschap of vzw waarbinnen een erkend elektronisch platform van deeleconomie is ingericht, moet de inkomsten met betrekking tot de overeenkomsten die door dat platform tot stand zijn gebracht, betalen of toe te kennen (art. 86, nieuw lid 2, KB/WIB 1992; art. 2, KB van 12 januari 2017).

De bedrijfsvoorheffing op de winst en baten uit de deeleconomie wordt aan de bron ingehouden door het elektronisch platform zelf (art. 87, nieuw punt 2°bis, KB/WIB 1992; art. 3, KB van 12 januari 2017).

Fiches bedrijfsvoorheffing

Elk platform stelt op het einde van elk jaar voor elke dienstverrichter die winst en baten uit de deeleconomie heeft genoten een fiche op waarin volgende gegevens moeten vermeld worden (nieuw art. 92/1, KB/WIB 1992; art. 4, KB van 12 januari 2017):

1) de identiteit van de verkrijger van de inkomsten en zijn rijksregisternummer;

2) de datum van aanvang of van stopzetting van zijn activiteit;

3) de omschrijving van de door de verkrijger geleverde diensten;

4) het brutobedrag van de vergoedingen uit de deeleconomie (als bedoeld in art. 90, eerste lid, 1°bis, WIB 1992), desgevallend opgesplitst volgens de aard van de verrichte dienst;

5) desgevallend, het brutobedrag van andere dan de in punt 4) bedoelde vergoedingen die door of door tussenkomst van de schuldenaar van de BV aan de verkrijger van de inkomsten zijn betaald of toegekend en de omschrijving van de prestaties uit hoofde waarvan die vergoedingen verschuldigd zijn;

6) het bedrag van de op de vergoedingen uit de deeleconomie ingehouden BV;

7) desgevallend, het bedrag en de aard van eventuele andere ingehouden sommen, desgevallend opgesplitst over de in punt 4) en 5) vermelde vergoedingen.

De verkrijger van de inkomsten wordt geïdentificeerd aan de hand van zijn rijksregisternummer of, wanneer hij geen rijksregisternummer heeft, aan de hand van zijn geboortedatum, voornaam en naam en volledig adres.

Voor de in punt 3) bedoelde omschrijving van de geleverde diensten en de omschrijving van de punt 4) bedoelde diensten, worden één of meer omschrijvingen gebruikt die in een lijst zijn vermeld die de minister van Financiën of zijn gedelegeerde vaststelt.

Jaarlijks samenvattende fiche vóór 28 februari

Alle fiches worden, samen met een samenvattende opgave, ten laatste op 28 februari van het jaar na het inkomstenjaar elektronisch ingediend bij de belastingadministratie en elektronisch of op papier bezorgd aan de verkrijger van de inkomsten.

De minister van Financiën (of zijn gedelegeerde) legt het model van de fiches vast.

De voorheffing werkt niet bevrijdend. Men zal de inkomsten dus nog altijd in de PB-aangifte moeten aangeven.

Tarieven bedrijfsvoorheffing

Een KB van 12 januari 2017 (art. 1) heeft de tarieven van de BV op de inkomsten uit de deeleconomie (inkomsten als vermeld in art. 90, eerste lid, 1°bis, WIB 1992) al vastgelegd. Ze zijn van toepassing op de inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 maart 2017.

De BV bedraagt 10% van het brutobedrag, d.w.z. het bedrag dat door het platform of door tussenkomst van het platform werkelijk is betaald of toegekend, verhoogd met alle sommen die door het platform of door tussenkomst van het platform zijn ingehouden.

Wanneer één globale vergoeding wordt gevraagd - zowel voor diensten die inkomsten genereren die volgens de artikelen 7 of 17 of 90, eerste lid, 5° van het WIB 1992 aan de belasting worden onderworpen, als voor diensten die inkomsten genereren die volgens artikel 90, eerste lid, 1°bis van het WIB 1992 aan de belasting worden onderworpen - en in de overeenkomst geen afzonderlijke prijs voor de laatst vermelde diensten is bepaald, bedraagt de BV 2% van het brutobedrag.

Inkomsten uit deeleconomie

Sinds 1 juli 2016 zijn de inkomsten uit diensten die een belastingplichtige (particulier) zelf levert aan derden via een erkend elektronisch platform belastbaar tegen 20%, met een forfaitaire kostenaftrek van 50%. Het effectieve belastingtarief is dus 10%. Er zijn wel uitzonderingen.

Wie onder die nieuwe fiscale regeling valt, moet geen btw-identificatienummer aanvragen en is dus vrijgesteld van btw. Er is ook geen inschrijvingsverplichting bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO).

Deze nieuwe regeling is enkel van toepassing als de belastingplichtige per belastbaar tijdperk niet meer dan 5.000 euro bruto (geïndexeerd bedrag aj. 2017; basisbedrag: 3.255 euro) aan inkomsten uit deze diensten verkrijgt. Wie onder deze 5.000 euro-drempel blijft, moet zich ook niet aansluiten als zelfstandige, en moet dus ook geen sociale bijdragen betalen (art. 22, programmawet van 1 juli 2016).

De belasting wordt dus onder de vorm van een bronheffing ingehouden door het elektronisch platform zelf.

Er zijn echter strikte voorwaarden verbonden aan het nieuwe taxatiestelsel.

Strikte voorwaarden

Het taxatiestelsel is sinds 1 juli 2016 van toepassing op winst of baten die, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit diensten die door de belastingplichtige zelf worden verleend aan derden, wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan (art. 90, eerste lid, 1°bis, WIB 1992; art. 36, programmawet van 1 juli 2016):

de diensten worden uitsluitend verleend aan natuurlijke personen die niet handelen in het kader van hun beroepswerkzaamheid. Dat houdt in dat de diensten die via een platform worden aangeboden geen diensten mogen zijn die nauw verbonden zijn met een activiteit die de belastingplichtige als zelfstandige verricht of met de activiteit van de vennootschap waarvan hij bedrijfsleider is. Voorbeeld: een werknemer in de bouwsector die zijn diensten aanbiedt als stukadoor via een erkend platform, komt in aanmerking voor het nieuwe taxatiestelsel. De stukadoordiensten die een zelfstandige aannemer van bouwwerken of een bedrijfsleider van een bouwbedrijf aanbiedt, komen niet in aanmerking voor de nieuwe regeling;

de diensten worden uitsluitend verleend in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een erkend elektronisch platform of een elektronisch platform dat door een overheid wordt georganiseerd. Zodra de belastingplichtige ook dezelfde diensten aanbiedt via andere kanalen dan voormeld platform, geldt de regeling niet;

de vergoedingen met betrekking tot de diensten worden enkel door het hierboven vermelde platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend.

De elektronische platformen worden bij KB erkend (met uitzondering van het door de overheid zelf georganiseerde platform).

Diensten

Volgens de Regering vallen onder meer volgende diensten onder het nieuwe taxatiestelsel: diensten zoals het onderhouden van een tuin, het verstellen van kledij of het geven van gitaarles, die een belastingplichtige particulier levert aan een andere particulier door tussenkomst van een online platform dat erkend is of georganiseerd wordt door de overheid.

Twee belangrijke categorieën vallen er niet onder: leveringen van goederen en verhuur. Het louter verhuren van kamers komt dus niet in aanmerking voor het nieuwe taxatiestelsel, maar dat ligt anders voor wie bijkomende diensten aanbiedt, zoals het schoonmaken van kamers en het serveren van ontbijt.

Wanneer de dienstverrichter één globale vergoeding voor het totale pakket vraagt (en er in de overeenkomst geen afzonderlijke prijs voor de eigenlijke dienstprestatie is bepaald) gebeurt de opsplitsing forfaitair: 20% van de totaalprijs wordt geacht overeen te stemmen met de bijkomende diensten (art. 90, derde lid, WIB 1992; art. 36, programmawet van 1 juli 2016).

5.000 euro-drempel

Dit taxatiestelsel geldt enkel beneden de drempel van 5.000 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2017; basisbedrag: 3.255 euro).
De inkomsten uit de deeleconomie worden, behoudens tegenbewijs, als beroepsinkomsten aangemerkt als het brutobedrag van die inkomsten in het belastbare tijdperk of in het vorige belastbare tijdperk meer bedraagt dan 5.000 euro (art. 37bis, § 2, WIB 1992; art. 35, programmawet van 1 juli 2016)

Voor het inkomstenjaar 2016 ligt de drempel op 2.500 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2017; basisbedrag: 1.627,5 euro) (art. 39, programmawet van 1 juli 2016).

Btw

Dienstenaanbieders die in aanmerking komen voor het nieuwe taxatiestelsel van de deeleconomie moeten zich niet identificeren voor btw-doeleinden. Zij moeten geen btw aanrekenen over hun prestaties, en ze moeten dus ook geen btw-aangifte indienen.

De regeling is van toepassing op natuurlijke personen die in principe in aanmerking zouden komen voor de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek. Met dit verschil dat ze zich dus niet hoeven te registreren en dat ze zelfs werk in onroerende staat kunnen verrichten zonder dat ze hun gunststatuut verliezen. Ze mogen wel maar uitsluitend diensten verrichten. Daarnaast moeten ook nog een aantal andere voorwaarden vervuld zijn (art. 50, § 4, Btw-Wetboek; art. 40, programmawet van 1 juli 2016).

Ook hier mogen de vergoedingen, inclusief alle sommen die het platform inhoudt, maximum 5.000 euro bedragen.

In werking

Het KB van 12 januari 2017 dat de erkenningscriteria voor de onlineplatformen vastlegt, en de inhoud van de fiches vastlegt, treedt in werking op 24 januari 2017.

Bron: Koninklijk besluit van 12 januari 2017 tot uitvoering van artikel 90, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, inzake de voorwaarden tot erkenning van elektronische platformen van deeleconomie en tot onderwerping van de in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten aan de bedrijfsvoorheffing, BS 24 januari 2017.

Zie ook:
- Koninklijk besluit van 12 januari 2017 tot bepaling van de bedrijfsvoorheffing op de inkomsten zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 19 januari 2017.
- Programmawet van 1 juli 2016, BS 4 juli 2016 (art. 35-43)
- Koninklijk Besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 13 september 1993 (KB/WIB 1992) (hoofdstuk 1, nieuwe ?Afdeling XVIII/1 ? Voorwaarden tot toekenning en behoud van de erkenning van elektronische platformen van deeleconomie (nieuwe art. 53/1 en 53/2), art. 86, art. 87 en nieuw art. 92/1)
- Wetboek van de inkomstenbelastingen van 10 april 1992 (WIB 1992), BS 30 juli 1992 (art. 37bis, § 2, art. 90, eerste lid, 1°bis en tweede lid, art. 97/1, art. 171 en art. 275, § 1 en § 3)
- Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Btw-Wetboek) (art. 50, § 4, art. 53quinquies en art. 56bis, § 2)
- Koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, BS 27 oktober 1934.